« intelligent design | Main | Hugo (2) »
05 november 2005
goedemorgen teleurgestelde Volkskrantlezers
Ik heb begrepen dat er mensen zijn die niet zozeer mij missen, alswel mijn vriend Hugo. Daarom deze week een column over hem.
Overigens was het eerste optreden van de Zwoegende Boezems in de Kleine Komedie (zie hieronder) gisteravond een groot succes. Voor vanavond zijn er nog kaarten, dus aarzel niet (al zal ik er zelf niet bij zijn: ik heb een feestje bij Hugo, die vanavond de dertiende verjaardag van zijn scheiding viert. Proficiat Hugo en Roos!)
De eeuwige jeugd
Er zijn dingen waar een man niet tussen zou moeten hoeven kiezen – zoals tussen je vriendin en je beste vriend.
Ik ken Hugo vanaf de middelbare school. We zijn al vrienden sind we elke ochtend naar school reden, eerst op de fiets, later op de brommer, sinds hij de handtekening van mijn vader vervalste op mijn rapporten, en sinds ik de schuld op me nam toen het uitkwam. Ik ken Hugo veel langer dan mijn vriendin. Aan de andere kant: met haar woon ik al vier jaar samen, en dat geeft iemand natuurlijk ook bepaalde rechten.
Waarom die twee elkaar niet mogen weet ik niet, maar je hoeft geen genie te zijn om het te zien. De enkele keer dat ze elkaar tegenkomen op een feestje of zo hoor je al op tien meter het gekrijs van op leven en dood vechtende katten en het gekreun van gewonden boven het klinken van de wijnglazen uit.
Hij vindt haar een verwende trut zonder gevoel voor humor. Zij vindt hem een arrogante kwal, een louche zakenjongen en hoogstwaarschijnlijk een hoerenloper. ‘Een hoerenloper? Liefje schei toch uit,’ roep ik dan. ‘Hugo kan aan elke vinger een vrouw krijgen, als hij wil.’ Dan werpt ze mij zo’n blik toe die je ook een aangereden egel in de berm geeft: zielig, maar we gaan er niet voor stoppen.
Ik vertel dit allemaal opdat u weet hoe ik me voelde toen Hugo ineens onaangekondigd bij ons voor de deur stond. Hugo is, sinds ik ben gaan samenwonen, nog nooit bij me thuis geweest. We zien elkaar één keer per week in het grand café. Soms neemt hij me mee naar bedrijfsfeestjes waar hij me voorstelt aan allerlei zakenlui die bij het afscheid steevast zeggen, terwijl ze me hun visitekaartje in de hand drukken: misschien kunnen we een keer wat voor elkaar betekenen.
‘Wie is daar?’ riep mijn vriendin vanuit de kamer.
‘Hugo!’ riep ik terug. Ik vrees dat het een beetje hysterisch klonk, hoe ik ook mijn best deed niet verbaasd te reageren. ‘Kom binnen, ga zitten man. Wat wil je drinken?’
Mijn vriendin zei vanaf de bank: ‘Hee hallo Hugo,’ en knipte de tv uit.
Hugo trok zijn jas uit en liet hem op de grond vallen. Mijn vriendin stond op, raapte de jas op en liep ermee naar de gang. Ik riep haar achterna: ‘Liefje, wil je een biertje voor ons meenemen?’ Ze gaf geen antwoord.
Hugo zag er niet geweldig uit. Zijn éénmetervijfennegentig, meestal tamelijk indrukwekkend, maakte een gammele indruk. Zijn zwarte haar zat door de war en hij wreef voortdurend in zijn ogen. Hij ging op de bank zitten en begon naar zijn schoenen te staren. Maat 49, wist ik toevallig. Hugo laat zijn schoenen speciaal in Engeland maken. In een kelder ergens in Londen bewaren ze afdrukken van zijn voeten in een doos met zijn naam erop. Om de een of andere reden moest ik aan die enorme leest denken toen Hugo zijn hoofd ophief en zijn treurige bruine ogen op mij richtte.
‘Ik ben verliefd,’zei hij. Ik grijnsde bijna automatisch: gefeliciteerd, lekker ding zeker, koning ben je toch, maar toen zuchtte hij: ‘Ze is achtentwintig.’
Mijn gedachten dwaalden terug naar afgelopen zomer, toen Hugo zijn veertigste verjaardag had gevierd, met alles erop en eraan. De Hermes House Band was er, tweehonderd mensen, roze champagne. Zijn ex-vrouw Rozemarijn was er ook, en zijn twee kinderen, Roos van tien en Hugo junior van twaalf. En nu was Hugo senior dus verliefd op een meisje van achtentwintig.
Veertig en achtentwintig. Twaalf jaar leeftijdsverschil. Nou ja, eerder een leeftijdsravijn. Het leek me een onoverbrugbare afstand voor iemand die een veertigjarig lichaam met zich meezeulde.
Mijn vriendin kwam binnen met twee flesjes bier en een schaal nootjes. Aan haar glimlach kon ik zien dat ze alles gehoord had.
‘Wat leuk voor je, Hugo,’ zei ze poeslief, terwijl ze de flesjes voor ons neerzette. ‘En hoe heet ze?’
(wordt vervolgd)
jaeggi om 05 november 2005 10:01
