« eerste zinnen | Main | vangst van de dag (?) »

30 november 2005

formule X

Vooruit, op veler verzoek: nog een hapje voorpublicatie uit Immer met moed. Maar voor de rest moet u het boek toch echt kopen! Dit verhaal heet Formule X.

'Hij zat op zijn knieën te morrelen aan een oude boormachine die hij nooit meer aan de praat zou krijgen, toen de kat verscheen. Hij zag hem niet meteen: zijn gedachten waren op dat moment gericht op het wanhopige, doelloze gepruts waar zijn handen mee bezig waren, en op Esther, die hem nu al wekenlang liet weten dat ze de hoop definitief had opgegeven. Dit deed ze door zorgvuldig het onderwerp ‘kapotte boor’ te vermijden.
Natuurlijk ging het niet alleen om de boor: het repareren van de boor was alleen maar het startschot voor een marathon van grote en kleine klussen. Als de boor gerepareerd was zou hij eindelijk alle schilderijen kunnen ophangen, de bouten voor de hangmat op het balkon monteren, het gietijzeren tuinhek schuren met het speciale schuuronderdeel dat ze gekocht had en dat hij nergens meer kon vinden, en zo waren er nog zeker een dozijn beloftes die hij steeds opnieuw brak op het moment dat hij ‘s avonds naast haar in bed schoof.
Hij had gedacht dat het een opluchting zou zijn, verlost te zijn van het gezeur over de boor, maar het zwijgen was erger. Het lag ‘s avonds tussen hen in bed. Als zij thuis was liep hij met opgetrokken schouders rond, maar ze begon er simpelweg niet meer over, ze zuchtte niet eens als ze hem zag, en daarom was hij deze middag in de kelder afgedaald, om haar te laten zien dat ze ongelijk had door geen vertrouwen meer in hem te hebben – om haar er flink met haar neus in te wrijven, moest hij toegeven.
Hij daalde af in het kleverige donker en verheugde zich op haar gezicht als ze ‘s avonds thuis zou komen van haar werk en haar verzameling ingelijste posters van de Olympische Spelen kaarsrecht aan de muur zou hangen. Als het Anton Heyboer-schilderij dat ze van haar moeder geërfd had in het trapgat hing en de portretten van haar zusters, Annet, Renee, Hendrikje, niet meer verwijtend met hun ruggen naar de kamer gekeerd tegen de plint zouden staan, maar boven haar bureau zouden hangen, aan stevige schroeven die uit perfect geboorde gaten staken.
Hij voelde lichte opwinding toen hij op de laatste trede van de keldertrap op een voet bleef staan en in het donker naar het touwtje van het licht tastte. Hij kon het gejank van de gerepareerde boor al horen. Hij zag Esthers ogen voor zich als ze hem aantrof op in de gang terwijl hij kloek de laatste schroef in de kapstok joeg – maar toen gloeide de lamp aan, onwillig als een puber, en zag hij dat hij in een kring stond van ingezakte kartonnen dozen, een verroeste knalpot, een kreupel droogrek, flessen, een gebroken spiegel, pakken opgestapelde oude kranten die waren gaan schuiven en over de hele keldervloer verspreid lagen, bierkratten en een volkomen verwoeste wasmachine waar iemand een gulzige hap uit had genomen, zo leek het. Hij keek de kelder rond. De muren, waar ze niet schuilgingen achter een hoeveelheid rotzooi waarvan hij zich afvroeg hoe die hier ooit was gekomen, leken op vochtige grijze soldaten die de wacht hielden bij een slagveld vol resten. Hij sloot zijn ogen en voelde zijn voornemens in elkaar krimpen en verschrompelen als rotte paddestoelen.
Wat later zat hij op de onderste tree en staarde naar een uitgespreide krant met daarop een half gedemonteerde boormachine en een stuk of veertig onderdelen, die hij gevonden had in een kartonnen doos met het opschrift Kerstversiering. Hij voelde een knagende pijn in zijn rug. Een voor een pakte hij de kriebelige, zwarte onderdelen van de boor op, versteende insecten die hij een voor een naar zijn ogen bracht weer teruglegde. Hij zag geen uitweg. Eerst had hij min of meer besloten, als een soort saluut aan de man die hij geweest was toen hij de kelder inging, dat hij een nieuwe, droge doos voor de boor zou vinden, en daarop met viltstift het opschrift Boor! Niet aankomen! zou schrijven - maar dat betekende dat hij de trap weer op moest, om een doos te zoeken, en een dikke viltstift waarvan vrijwel zeker was dat die zich niet in huis bevond, wat zou betekenen dat hij het dorp in zou moeten om er een te kopen, terwijl Esther de auto had, en de fiets die in de schuur stond moest eerst een nieuwe voorband krijgen, en zo lokte de ene verplichting de andere uit. Hij roerde met een vinger in de ordeloze verzameling onderdelen. Ze rinkelden zacht. Er bovenuit klonk het getinkel van een belletje. Het was een licht, opgewekt geluid, ondenkbaar op deze plek. Hij keek op en zag een grote donkergrijze kat, een meter of twee bij hem vandaan. De kat had een halsband om met een belletje eraan en nam hem kalm op.'

(wordt vervolgd in Immer met moed)

jaeggi om 30 november 2005 09:43

Post a comment




Remember Me?