« uitslag Surinamekwis | Main | vangst van de dag (7) »
07 oktober 2005
reizigers
Dat jij op reis bent is logisch - maar waar gaan al die anderen heen?
Jij hebt een huis en een bestemming, en tussen die twee reis je heen en weer. Maar zij bijvoorbeeld, twee banken verderop, aan het gangpad? Ze heeft iets vaag bekends, een oude tante die je heel lang niet gezien en ook niet gemist hebt. Moedeloze bloemen op haar jurk. Een wollen vest tot bovenaan dichtgeknoopt, hoewel het in de trein voor iedereen precies niet te warm en niet te koud is - dat is uitgezocht. In haar brillenglazen glijdt het landschap voorbij.
Ze reist alleen. Als het aan haar lag zou ze helemaal niet meer reizen. Haar man was dol op reizen, toen hij nog leefde waren ze overal geweest, Italië, Spanje, Marokko, maar nu hij er niet meer is… Ze zag er de zin niet meer van in. Ze had ook geen zin meer. Als het aan haar lag zou ze liever thuis blijven. Maar ja, met haar dochter zo ziek… En dan in zo’n ver land. Het is toch je familie, dat blijft. Maar als het aan haar lag zou ze…
Het is geen bijzonder verhaal. Het is niet eens een heel interessant verhaal. Toch wil je het horen. Je vraagt je af waarom. Waarom kun je je ogen niet van ze afhouden? Waarom probeer je in hun hersens te roeren, fantaseer je over wat er in ze omgaat? Je wilt weten wat ze beweegt - waarom ze bewegen. Waarom voel je je zo uitgedaagd? Het zijn maar passagiers, en de meeste wekken de indruk dat ze nog niet bekomen zijn van de verbazing dat ze ooit geconcipieerd zijn. Ze zitten diep in zichzelf, hun ogen vastgeklonken aan het raam. Het enige dat beweegt zijn hun pupillen die proberen een houvast te vinden in het geluidloos langsschietende landschap.
Ze zouden het liefst met rust gelaten willen worden, maar dat is schijn. Je kunt tegenover ze gaan zitten en ze op hun knie tikken en ze aankijken en dan zullen ze alles vertellen.
Zij, met de rode broek. Ze is op weg naar haar geliefde. Ze is mooi. Niet mooi van zichzelf, maar mooi van liefde. Ze is verliefd en op weg naar… Nee, ze komt net bij hem vandaan, want haar haren zijn glad en glanzen, haar ogen blinken; ze heeft net heel lang met hem gedoucht, de laatste keer voorlopig, het zal lang duren voor ze hem weer ziet. Heeft zij een ander? Heeft hij een ander? Als de wereld de afgelopen paar uur niet totaal veranderd is zal hij het wel zijn die een ander bedriegt. Nu zie je ook de barstjes in haar glimlach.
Nu denkt ze aan hem terug. Je ziet het, ze wordt warm, overal, zonder dat ze het weet glijdt haar hand over haar buik, wrijft ze, met haar hand, hier en daar. Ze denkt aan hem. Waar is hij nu? Haar hand stopt abrupt. Hij is terug bij die ander. Natuurlijk, waar zou hij anders zijn? Zelfs vannacht toen hij naast haar op adem lag te komen wist ze, maar een hele kleine kans dat hij bij zijn vriendin weggaat.
De trein rijdt een station binnen, mindert vaart, stopt. Mensen worstelen met hun bagage in het gangpad. Mannen helpen meisjes zware tassen uit het bagagerek tillen. Meisje raakt beklemd in de automatische deur, worstelt zich vrij. Op het perron valt ze iemand in de armen. De rituelen zijn uitgevoerd, de trein kan verder, trekt zichzelf op gang, geluidloos, je denkt er een oud geluid bij uit de tijd dat treinen nog op stoom reden. Je rijdt van de schaduw in het licht. Je verlaat de stad. Overal staan windmolens, voor het eerst dat je dat opvalt, lange witte palen waarop grote witte spinnen gespietst zijn, die hulpeloos met hun poten maaien. Er duiken er steeds meer op, de horizon raakt opgevuld.
Ze worden rusteloos. Ze draaien in hun stoelen, ze staan op en gaan weer zitten, tot iemand zijn tas op schoot neemt en er een pakje uithaalt. Zilverpapier ritselt, en dat is het signaal, nu halen de anderen ook hun eten tevoorschijn. Bananen, worst, sandwiches, kaas, appels, cake, doorzichtige flesjes water. Iemand opent een mandarijn. Even ruikt de hele coupé ernaar.
‘Van mij mag het morgen afgelopen zijn.’ Een flard gesprek die van achter komt aanwaaien, maar als je voorzichtig tussen de stoelen doorkijkt zie je een gewoon, vriendelijk gezicht, van een vrouw die haar leeftijd niet zal willen zeggen. Gesprongen adertjes op haar wangen. Wit haar. Weer een jurk met bloemenprint, wie heeft mensen toch wijsgemaakt dat bloemen en kleren iets met elkaar te maken hebben? Na een bepaalde leeftijd zie je er treurig uit in bloemen, maar niemand schijnt dat te beseffen. ‘Van mij mag het morgen afgelopen zijn,’ heeft ze dat echt gezegd of past het bij haar? Ook zij reist alleen.
Hoe meer gesprekken, hoe meer nederlagen. Iedereen heeft geheimen, niemand viert triomfen. Langzaam begin je de verdenking te koesteren dat ze nergens heen gaan, maar enkel heen en weer reizen om maar niet aan te komen en hun lot te treffen.
Hij, volgende bank, bij het raam, draagt een streng rechthoekig brilmontuur, zoals kinderen brillen tekenen. De geschoren kaalheid van jonge mannen die niet willen toegeven dat ze kaal worden. Een zwaar Duits accent. Hij is genoemd naar zijn opa’s: de een heette Zweepslag en de ander Stomp. Zijn opa’s waren in de oorlog. Hij is homo. Familie’s maken nu eenmaal slachtoffers. Hij is aardig, hij praat met kinderen, hij lacht vriendelijk naar elke passant, ook als ze weer terugkomen van de wc; misschien is het degene die hij zoekt.
Hij hunkert.
Zij hunkert, hij hunkert, zij hunkert, zij hunkeren samen (maar al jaren niet meer naar elkaar, daarvoor is hij te dik en zij te stijf gegroeid), iedereen hunkert. Ze bouwen een wal van bagage en een slotgracht van boeken om zich heen en trekken zich terug in hun hunkering.
Buiten is alles gewoner geworden. Huizen hebben geen kleuren meer, wegen zijn rechtgetrokken. Het gele licht van bij het vertrek maakt plaats voor blauwe borden met witte letters die THUIS spellen.
Ze staan op, vegen kruimels van hun schoot, legen waterflesjes, tillen kreunende tassen op, ritsen zichzelf dicht. Hun geheimen gaan in zilverpapier, hun teleurstellingen in plastic zakjes onderin de tas. Af en toe glijdt een blik over jouw gezicht. Je glimlacht terug, maar er komt geen reactie, hoewel je hun geschiedenis kunt raden. Het zijn weer dezelfde vreemden als toen jullie vertrokken.
De trein begint aan de laatste kilometer, langzaam, moe. Ze pakken hun tassen op en gaan voor de deur in de rij staan wachten tot ze eruit mogen.
jaeggi om 07 oktober 2005 10:59
