« goedemorgen teleurgestelde volkskrantlezer | Main | leef »
26 september 2005
waar ik aan dacht toen ik hem pijpte
Denkt u nog weleens aan Paula Cox? Niet? Julie Orringer dan? Jorge Volpi? Peter Carrey? Penelope Lively? Penelope Fitzgerald? Michael Chabon? Toch waren hun personages ‘van een heftige schoonheid’ en schreven ze ‘met doordringende intelligentie en opmerkelijke zelfbeheersing’ succesvolle boeken. Ze hebben allemaal prijzen gewonnen voor hun romans.
Hetzelfde geldt voor Jonathan Safran Foer, die op dit moment triomfen viert met Extremely Loud & Incredibly Close, dat van a tot z bijelkaar gejat is, goedkoop speculeert opde sentimenten van 9-11, en over tien jaar een van die boeken zal zijn waarvan we zeggen: hoe is het mogelijk dat we daar zo opgetogen over waren.
Marjolijn Februari wees er afgelopen zaterdag al op in de Volkskrant: Foer leent opzichtig zijn plot en personages van Mark Haddons succesvolle The curious incident of the dog in the night-time: ook een roman over een min of meer autistisch jongetje dat de wereld op een wonderlijke manier beziet. Alsof ze uit zichzelf al niet irritant genoeg waren, die vroegwijze volwassenen die sinds Salinger niet meer weg te branden zijn uit de literatuur, die kleine etterbakjes die met grote ogen de wereld van de volwassenen bezien, nee, er moest nog een schepje bovenop: zowel Haddon als Foer geven hun hoofdpersoontje nog een geestelijke stoornis mee, die voor extra kleurrijke details mag zorgen. Zo is Foers Oskar (zou Foer ooit Die Blechtrommel hebben gelezen?) extreem getalenteerd en intelligent, correspondeert met Stephen Hawking en speelt de tamboerijn. Apart, wat?.
Ik had het al heel moeilijk om mijn handen thuis te houden bij het lezen van The curious incident…, maar bij Foers roman werd de aandrang om het kleine vroegwijze etterbakje een ongelooflijke schop te verkopen zo overweldigend dat ik het boek na drie hoofdstukken heb dichtgeslagen (ook de meest geduldige ouders van autistische kinderen schijnen de aandrang om hun spruit met de kop tegen de muur te bonken soms nauwelijks te kunnen onderdrukken).
Jonathan Safran Foer zal over enkele jaren bijgezet worden in het rijtje hierboven, de Mount Everest van middelmatige schrijvers waar de boekhandels mee volgestapeld ligt. Extremely close… is niet meer dan ‘de zoveelste middelmatige, elegante roman die ongetwijfeld een stroom van wellevende kritieken zou krijgen en daarna in vergetelheid zou raken’. De soort roman waarvoor Bret Easton Ellis (van wie het vorige citaat was) het ultieme nietszeggende citaat bedacht: ‘Ik geloof dat ik in geen jaren een werk in handen heb gehad dat zó zelfverzekerd over zichzelf gaat.’
Bret Easton Ellis, daar heb je een naam die je voorlopig niet gaat vergeten. Ik kreeg zaterdag in de boekwinkel een voorproefje van de vertaling van zijn nieuwste roman Lunar Park, en na lezing van de eerste vier hoofdstukken besloot ik
1) ik ga zo snel mogelijk Lunar Park lezen, en
2) ik koop zeker niet de Nederlandse vertaling.
Lunar Park is een briljante roman die in grote haast vertaald moest worden (want de Nederlandse versie moet naast de Engelse liggen vanwege de verkoop) en dat is dan het excuus om twee goedwillende klerken met hun diploma Literair vertalen van de LOI in hun binnenzak (Inge de Heer en Johannes Jonkers) in te schakelen, twee ploeterende letterknechten die geen nee durfden te zeggen toen uitgeverij Anthos vroeg of ze binnen twee weken vijfhonderd bladzijden literatuur konden vertalen.
Moet kunnen, dachten Inge en Johannes, en daarom zal het wel zijn dat ze ‘bathroom’ consequent met ‘badkamer’ vertalen. Zelfs het gegeven dat in die ‘badkamers’ alleen maar geplast, gepoept en cocaïne gesnoven wordt, en dat er nooit een bad genomen wordt, brengt Inge en Johannes, die tijdens het vertalen ook nog hun ene hersencel moesten delen, niet op het idee dat bathroom in het Amerikaans ‘WC’ zou kunnen betekenen.
Ook hebben Inge en Johannes, glitterende parels in de kroon van het vertalersgilde, nog nooit een Amerikaanse film gezien – anders zouden ze misschien weten waar de woorden ‘Make my day’ vandaan kwamen. En zouden ze misschien iets anders gedaan hebben met Dirty Harry’s beroemde woorden dan ze doormidden zagen, met plakband omwikkelen en de straat weer opsturen met een paar ongelijke krukken. Zouden ze, met andere woorden, met iets anders op de proppen komen dan het zeldzaam krukkige: ‘Kom op, bezorg me de dag van mijn leven.’
Arme Bret. Je kunt zoveel briljante boeken schrijven, maar als je werk vertaald wordt ben je overgeleverd aan de honden.
Die middag had ik dus de eerste vijf hoofdstukken van Lunar Park gelezen, en dezelfde avond liep ik naar de Beurs van Berlage, met een vriend aan mijn zij en Easton Ellis in mijn hoofd. We waren allebei zwijgzaam, mijn vriend en ik, wat waarschijnlijk beter te begrijpen is als je weet dat we onderweg waren naar een bijeenkomst van honderden vrouwen met lef.
Direct bij binnenkomst bij Women Inc. klaarde mijn vriend op. Ik voel me hier wel goed, zei hij, en inderdaad, we liepen een warm bad van positieve vrouwelijke energie binnen. Saamhorigheid sijpelde uit duizenden vrouwenporieën. Wij waren voor het eerst in ons leven sterk in de minderheid - en het was heerlijk. We voelden de ene na de andere liftblik (die kent u misschien wel, als u vrouw bent, hij gaat op en neer… op en neer…) over onze lichamen glijden.
Toen het tijd was voor de aangekondigde discussie over de Man van Vandaag was elk gehoopt conflict dan ook allang gesmoord in een zee van zusterlijke gevoelens. Jort Kelder deed nog zijn best (‘Jullie zijn gewoon lui!’), ik deed mijn best (‘die lesbische kus van Ellen Degeneres, daar werd ik wel geil van’) en Quincy was zijn heerlijke zelf (‘Ik hou ervan als mijn was gestreken is en het eten klaarstaat als ik thuiskom’) maar er kwam geen enkele reactie behalve kokette giechels en begrijpende glimlachjes. Geen vuur aan onze schenen. Onze kleren bleven heel. Onze enige troost was dat het interessantste deel van de vrouwen waarschijnlijk gelijktijdig bij de workshop voor Sex toys zat. Daar hebben we na afloop nog naarstig naar gezocht, die vrouwen, maar de enigen die we tegenkwamen, in de grote holle hallen van de beurs, waren lieve meiden. Stuk voor stuk.
Zo lief waren ze dat ik zelfs, geheel tegen mijn gewoonte in mijn vriend in de steek liet (sorry EJ!) want mannen kennen gelukig geen solidariteit, zeker niet als ze een dans beloofd wordt door een van de mooisten van de avond.
Maar de muziek was al gestopt.
Op weg naar huis, toch nog best laat, dacht ik pas weer aan Bret, en er ergens tussen het Damrak en het station sloeg ik dubbel toen ik ineens moest denken aan de scène waarin hij vertelt over de studenten Creative writing die hij les geeft (en volgens mij ook over alle goedwillende aspirant-schrijvers, alle negentienjarige filmregisseurs, alle schrijvers hollend op weg naar de vergetelheid, alle idealistische vrouwenfestivalorganisatoren en artistieke ploeteraars in het algemeen): ‘zodoende liep ik al gauw tokkelend op de gitaar de gasten te begroeten. Dat was ook een handige manier om mijn studenten te beletten over hun verhalen te praten, altijd een van mijn minst geliefde gespreksonderwerpen, en vanavond wilde ik niet dat me gevraagd werd: ‘Meneer Ellis, hebt u Waar ik aan dacht toen ik hem pijpte al gelezen?’
jaeggi om 26 september 2005 13:52
