« juli 2005 | Main | september 2005 »

30 augustus 2005

vrouw met lef

Beste Adriaan Jaeggi,
Hierbij bevestigen wij jouw deelname als een van de 300 vrouwen met lef aan het nieuwe festival WOMEN Inc. op 24 en 25 september 2005 in de Beurs van Berlage in Amsterdam.
Fijn dat je meedoet!
Op zaterdag 24 september draag je bij aan Mannencafé in de Amvestzaal omloop van 21.15 tot 22.15. Je neemt deel aan deze discussie olv Marike Simons, Rachida Azough en Gulden Ilmaz.

*****
Beste Gillian,

Dank voor je brief. Ik heb genoten.
1 probleempje alleen: wat trek ik aan, als vrouw met lef? Voor mij is het de eerste keer, dus ik ben een beetje onwennig.
Wat raad je me aan? Een gepantserd kokerrokje? Broekpak? Iets in de stijl van Rita Verdonk? Of gewoon camouflagebroek en een piercing door mijn tong?
Ik reken op je hulp.
Hartelijke groet,

Adriaan Jaeggi (vrouw met lef)

Posted by jaeggi at 06:46 pm

zwemseizoen (2)

'Het moet een bad in de open lucht zijn, liefst 's ochtends vroeg voordat er anderen komen. Er komt een beetje mist van het water. Als je op het startblok staat kijk je in een diepblauwe, visloze, octopusloze, bewegingloze kuip water. Heel even trekt er een rilling overheen, alsof het water ook aarzelt, omdat de eerste seconden, voordat je erdoor bent, altijd koud zijn. Vanaf je voeten loopt een zwarte streep naar het einde van het bad, de streep die je leidt, die je in je baan houdt.
Ik sta het liefst zo lang mogelijk te wachten voor ik duik. In ieder geval zwaaien mijn armen altijd naar voren net voordat ik besloten heb te duiken, mijn benen zetten af en ik probeer zoveel mogelijk meters zwevend af te leggen. Ik raak het water, mijn oren stromen borrelend vol en ik hoor mezelf hijgen binnen in mijn hoofd, van de eerste koude schok. Het hijgen verdwijnt en ik sla mijn armen uit en de baantjes beginnen, de trance van de eerste zwarte streep op de bodem die onder me doorglijdt en het aantikken en omkeren en het plezier van een verdronken spin of een dood kikkertje op de bodem van het bad, die je bij elk baantje weer tegenkomt.'

Uit Held van beroep (1999)

Posted by jaeggi at 10:09 am

29 augustus 2005

zwemseizoen

Attentie: Met ingang van heden is mijn zwembroek niet meer oranje, met pijpjes, licht verschoten en met een slijtplek op de bilnaad, maar: kobaltblauw, nagelnieuw, 90 % lycra. Wel nog steeds met pijpjes.
Ik verzoek u deze gegevens in uw databank te wijzigen.
Met vriendelijke groet,

Adriaan Jaeggi

(Meer mededelingen over het zwemseizoen van dit jaar later deze week. De buitenbaden sluiten op 4 september a.s.)

Posted by jaeggi at 11:10 am

28 augustus 2005

sterke plant

Hee, kijk nou.


-------?----------

Posted by jaeggi at 12:08 pm

27 augustus 2005

lui

Ongeveer vijf maanden geleden kreeg ik het verzoek een artikel over luiheid te schrijven. Ik maakte een mentale notitie, die direct wegzonk tussen urgentere zaken die mijn aandacht opeisten, zoals luiers, drop en kattenbakkorrels. Ongeveer een maand later dacht ik er weer aan. Ik schreef een briefje aan mezelf (‘luiheid, niet vergeten’) en legde dat op mijn bureau, waar het zoekraakte tussen de onbetaalde rekeningen en de belastingaangifte 2003.
Toen werd het lente.
Ik bracht een paar aangename dagen door op terrassen, waar de gedachten aan het artikel dat ik moest schrijven vanzelf naar de achtergrond dreven. Na uitgebreid genoten te hebben ging ik achter mijn bureau zitten en tikte: Wees lui! Op dat moment werd er gebeld. Het was een brommerkoerier met een verkeerde bezorging, maar voordat ik de lastpost de deur uit had gewerkt, was het tijd voor de lunch, en bij de lunch was er champagne (ik weet niet precies meer waarom). Na champagne moet ik altijd even gaan liggen. Die avond was er een verjaardag. De dag erna regende het pijpestelen en voelde ik me nauwelijks in staat mijn bed uit te komen. De dag erop, ik was de deadline inmiddels tot op een paar uur genaderd, voelde ik me verkwikt en vol energie. Ik zette me weer achter mijn bureau en zette de computer aan, toen me opviel dat mijn toetsenbord erg vies was. Ontmoedigd ging ik liggen voor een dutje, en sliep rustig door de deadline heen.
Toch leest u op dit moment een stuk over luiheid. Dat betekent dus dat er ergens in die periode een moment geweest moet zijn dat ik het artikel schreef dat u nu leest.
Het had ook anders gekund: ik had de opdracht (‘Schrijf een lichtvoetig artikel over luiheid’) flink wat gewicht mee kunnen geven door er eerst een dossier van aan te leggen, uitgebreid research te doen, eerste, tweede en derde conceptversies te maken, en op het allerlaatste moment, als de opdracht inmiddels als een molensteen om mijn nek zou hangen een freelancer in te huren die er fris tegenaan keek en het stuk in anderhalf uur zou schrijven.
Wat wil ik met dit voorbeeld aantonen?
Niets. Het is heel vermoeiend om de hele tijd dingen te moeten aantonen. Het lijkt veel te veel op activiteit, en ik ben liever passief. Sommige mensen zouden het lui noemen. Ik noem het vrijheid. Vrij, zoals mijn grote vriend Tom Hodgkinson zegt, ‘om het leven te leiden dat je wilt leven, vrij van bazen, lonen, pendelen, consumeren en schulden.’ Hodgkinson is mijn vriend sinds ik zijn boek Lof der luiheid heb gelezen. Daarin toont hij overtuigend en met vele voorbeelden aan dat werken een duivelse uitvinding is, en dat lui zijn niet alleen veel aangenamer is, maar zelfs van levensbelang voor het voortbestaan onzer beschaving. Hij haalt de filosoof Bertrand Russel aan, die de gekte van het hard werken aantoont met het voorbeeld van een speldenfabriek. In deze fabriek wordt acht uur per dag gewerkt en worden er genoeg spelden gemaakt voor de hele wereldbehoefte. Dan doet iemand een uitvinding waardoor hetzelfde aantal mensen twee keer zo veel spelden kan maken. In een redelijke wereld zou iedereen die spelden maakt dan vier uur gaan werken. Er is toch genoeg. Maar in de werkelijke wereld zullen mensen acht uur blijven werken omdat de produktie dat nu eenmaal voorschrijft, er worden veel te veel spelden gemaakt en de helft van de mensen die vroeger spelden maakten krijgt ontslag.
Dit is hoe het systeem werkt. Een wereld waarin produceren, competitie, omzetstijging, consumeren en schulden vooropstaan is een wereld vol schuldgevoel, frustratie en uitputting.
Denk niet dat dit iets van de laatste jaren is: door de eeuwen heen zijn vele geniale luiaards u voorgegaan: Lord Byron, Descartes, William Blake, Oscar Wilde, Nietschze, Sherlock Holmes, Hugh Hefner en John Lennon. Langslapers, uitstellers, nietsnutten, dichters, flaneurs. Zij begrepen waarom inactiviteit iets nobels is. Zij begrepen dat je betere resultaten boekt als je niet op je nek wordt gezeten door winstcijfers, wekkers of wc-eendreclames. Oscar Wilde zei het zo: ‘Handelen is het toevluchtsoord voor mensen die helemaal niets te doen hebben. Het is het redmiddel voor mensen die niet weten hoe te dromen.’
Een leven dat bestaat uit dromen, nadenken, mijmeren, peinzen, is dat mogelijk? Misschien niet voor iedereen. Maar laten we eens kijken naar het alternatief. Daarvoor moeten we een klein zelfonderzoek verrichten.
Wat zijn de dingen in het leven die u het meest ongelukkig hebben gemaakt? Dan praat ik niet over sterfgevallen of scheidingen, de grote rampen die niet te voorkomen zijn, maar over de kleine duivelse dingen die elke dag ons leven vergallen. Hoog op dat lijstje staat voor velen het afgaan van de wekker. Voor de meeste mensen worden de eerste jaren van hun volwassenheid, wanneer de buitenwereld toch al vreselijk verwarrend is, bepaald door wekkers en schoolbellen. In die gevoelige jaren woonde ik in een dorpje in Brabant, vanwaar elke ochtend vroeg de schoolbussen vertrokken. Om 7 uur ging mijn wekker. Blind van de slaap stond ik op, stommelde door het huis om mijn schoolspullen bij elkaar te zoeken, wankelde naar de bushalte en viel als een blok in slaap op de achterbank van de bus. Een paar haltes later werd ik ruw gewekt als er een boerenzoon uit Klundert op mijn hoofd ging zitten. De eerste uren van elke schooldag bracht ik onvermijdelijk versuft en wanhopig door. Regelmatig gleed ik midden onder de les domweg van mijn stoel en viel op de grond in slaap.
Nog steeds worden tienduizenden pubers elke dag aan deze marteling onderworpen, terwijl toch allang bewezen is dat je op die leeftijd je slaap het allerhardst nodig hebt. Een verstandige minister zou eens moeten beslissen dat een schooldag pas om 11 uur begint. Daarmee worden een hoop onderwijsproblemen in éen klap opgelost: les geven aan alerte, uitgeslapen kinderen kost veel minder moeite dan het elke ochtend op gang trekken van een onwillige, slaperige kudde.
Hetzelfde geldt voor onze beroepsbevolking. Zij worden elke ochtend in files en benauwde treincoupé’s naar hun werk gedreven. Intussen zitten honderdduizenden vrouwen thuis aan tafel tussen de ruïnes van het ontbijt, met uitzicht op een gigantische berg was- en strijkgoed in de bijkeuken. Het is niets meer of minder dan een moderne vorm van slavernij. We slijten vrijwillig onze dagen in zenuwslopende omstandigheden tussen werkoverleg en spoedvergaderingen, we worden langzaam doof tussen stampende machines of zenuwziek achter de kassa, waar we de hele dag beleefd moeten zijn tegen mensen ‘die het eigenlijk verdienden om spiernaakt bereden te worden door de duivel, met scherpe conservenblikjesdeksels als sporen’, zoals Annie Proulx het noemt. Of we draaien rond in de eindeloze tredmolen die ‘het huishouden’ heet.
Is er een andere conclusie mogelijk? Het leven dat de meesten van ons leiden is onmenselijk. Het maakt van ons nerveuze, zenuwzieke, gefrustreerde wrakken, die ver voor hun tijd opgebrand zijn en zelden gezond de pensoengerechtigde leeftijd halen. (Alleen die formulering al: het ‘halen’ van je ‘pensioengerechtigde leeftijd’! Alsof het een wedstrijd is waarbij je een beloning krijgt als je het lang genoeg volhoudt!) Maar gelukkig is er een oplossing
Wees lui.
Luiheid is niet slecht: het is de manier van Moeder Natuur om het juiste tempo aan te geven. Als je moe bent moet je even slapen. Als je honger hebt moet je eten, rustig, niet tussen twee verplichtingen door, of staand aan het aanrecht. Doe de dingen in je eigen tempo. Denk eerst over wat u doet, bij voorkeur met uw benen op het bureau of keukentafel. De kans is groot dat u een betere, efficiëntere manier bedenkt om het te doen – of het juist te laten – in de tijd dat iedereen zich dood rent om op tijd te komen. Nadenken over dingen, al is het in een hangmat, is niet slecht. Het ziet er misschien nietsdoenerig uit, maar het is creatief. Of zoals een groot schrijver ooit verzuchtte (en velen na hem): ‘Ik wou dat mijn vrouw begreep dat ik ook aan het werk ben als ik uit het raam staar.’
Maar het voornaamste is: doe vooral geen dingen omdat ze altijd zo gedaan zijn. Dat is de allerslechtste reden om iets te doen, en bovendien is het niet waar. Het is bijvoorbeld pas sinds de industriële revolutie gebruikelijk dat mensen de hele dag werken. Voor die tijd werd er alleen gewerkt tot er genoeg geld was om een paar dagen van te leven. Dan legde iedereen het werk neer en spoedde zich naar de kroeg. Kortzichtig? Niet kortzichtiger dan krom liggen voor hypotheken en levensverzekeringen terwijl je weet dat je waarschijnlijk voor je pensioen al versleten bent, en nooit van je huis of je gespaarde rijkdom zult genieten.
Er wordt altijd gedaan alsof we twee levens hebben: één waarin we werken en één na ons pensioen, waarin we genieten van een welverdiende wat dan ook. Dat is een grote leugen. We hebben maar één leven, en dat is nu. Je bent gek als je al die kostbare tijd vermorst met zoiets onbelangrijks als werken.

Posted by jaeggi at 10:37 pm

18 augustus 2005

sail

De grootste bedreiging voor Sail zijn niet de fundamentalisten, maar de amateur-kapiteins. Gisteren zat ik er midden tussen. Overal hadden ze aandacht voor, de andere boten, de driemasters, de koelbox, de wijn, het bier, elkaar, elkaars vrouwen, het honderdduizendkoppige publiek aan de wal, de zon, de blauwe lucht en het water, behalve voor het varen.
Vandaag met de stijgende hitte nog een paar anker rosé erin en dan verwacht ik de eerste relletjes om een uur of 7. Een uur later wordt de driemastbark Stad Amsterdam geënterd. Het muiten en kielhalen kan dan om een uur of tien beginnen, traditioneel bij zonsondergang.

Posted by jaeggi at 03:03 pm

staart

Waarom kijkt iedereen zo?
Het viel gisteren al op, maar vanochtend is het een plaag: iedereen die ik tegenkom staart. Op een gegeven moment moest ik stilstaan bij een winkelruit, om te controleren of er iets aan mijn uiterlijk mankeerde. Nergens etensresten, gulp netjes gesloten, montere blik, geen arrogante grijns om de mondhoeken.
Waarom kijkt iedereen dan?
Ik loop door de stad en iedereen die ik tegenkom kijkt me recht in de ogen, alsof ze niets te verbergen hebben. Als ik wegkijk en later omkijk kijken ze ook net om, borend.
Waarom kijkt iedereen naar me?
- Omdat je een staartje hebt, zegt zij. En als ik met veel gedraai en gebruik van meerdere spiegels eindelijk mijn achterhoofd in zicht heb blijkt haar gelijk: een staartje. Zo'n dom, sprieterig, gecoupeerd pony-staartje van middelbare mannen met herfst op hun hoofd die de zielige restanten in hun nek bijeengebonden hebben met een elastiekje. Met een post-elastiek, ook nog.
Ik ben me van geen staartje bewust.
- Heb jij mij een staartje gegeven?
Ze kijkt verbolgen.
Na uren vergeefs proberen blijkt ook nog dat het staartje zich niet laat verwijderen. Het elastiek kleeft aan mijn haar, lospeuteren veroorzaakt helse pijnen. Ik loop met staart door de stad en iedereen staart.

Opdracht: Geef in 200 tot 15.000 woorden aan wat de schrijver heeft willen zeggen met dit fragment, welke middelen hij heeft gebruikt en of het autobiografisch is of niet.
Is het fragment A) realistisch B) absurdistisch, C) moralistisch of D) beide.
Trek ook een conclusie. Geef daarbij aan of je vindt dat de schrijver in zijn opzet geslaagd is. (Gebruik alleen de gele papiertjes!)

Posted by jaeggi at 12:38 pm

17 augustus 2005

you've got mail

Heerlijke vrouw,
Zullen we weer eens wat afspreken? Misschien zelfde tentje als vorige keer? Waar je zei dat ik zo goed uitkwam in het kaarslicht…? Misschien hebben ze diezelfde grappa nog…
Laat ff weten.
XXX
A

----- Original Message -----
Ha schoonheid,
Ben je niet thuis? Ik hoor maar niks van je. Je telefoonbeantwoorder geeft ook alleen maar een lange piep. Ik ga het ff op je kantoor proberen.
X&X
A

----- Original Message -----
Ik ben met vakantie en afwezig tot en met maandag 5 september.

----- Original Message -----
Ah, dat dacht ik al. Jammerdebammer. Mail je ff als je terugbent?

----- Original Message -----
Ik ben met vakantie en afwezig tot en met maandag 5 september.

----- Original Message -----
Ja, dat mailde je al. Ik ben niet doof. :-)

----- Original Message -----
Ik ben met vakantie en afwezig tot en met maandag 5 september.

----- Original Message -----
OK, nou weet ik het wel. :-(

----- Original Message -----
Ik ben met vakantie en afwezig tot en met maandag 5 september.

----- Original Message -----
Kappen nou :-((

----- Original Message -----
Ik ben met vakantie en afwezig tot en met maandag 5 september.

----- Original Message -----
Hee bitch, zit je me te fokken of wat?

----- Original Message -----
Ik ben met vakantie en afwezig tot en met maandag 5 september.

Posted by jaeggi at 10:37 am

16 augustus 2005

vliegende graftombe

Ik vind dat journalisten objectief moeten zijn. Ik vind dat emoties en meningen iets zijn voor columnisten en commentatoren, en dat journalisten zich daar verre van moeten houden. Objectief, zakelijk, naar de waarheid borend, op het kille af: dat is mijn ideale journalist.
Journalisten hoeven niet mooi te schrijven, als ze maar waar schrijven. Het hoeft ook niet ontroerend te zin, als het maar begrijpelijk is.
Toch kun je het een journalist vergeven als hij af en toe voor de verleiding bezwijkt. Gisteren stond er in het Parool een verslag van de laatste vliegtuigramp, geschreven door naamloze redacteuren. In de laatste zin staat een volkomen niet-objectieve observatie, maar juist daardoor kunnen we ons voorstellen hoe het moet zijn geweest, in dat gedoemde vliegtuig (vanwege de tientallen B-films over het onderwerp): eerst de paniek, gekrijs, rondvliegende bezittingen, maar dan iets wat je nooit ziet: het stikken en dan de stilte van 121 bevroren lijken terwijl de wind door de cabine giert en het toestel naar zijn ondergang stort.
'Bij een raadselachtig vliegtuigongeluk even ten noorden van de Griekse hoofdstad Athene is gisteren een Cypriotisch passagierstoestel tegen een berg gevlogen en verongelukt. Het toestel had ruim een uur zonder radiocontact rondgevlogen (niet strikt noodzakelijk, deze mededeling, maar wel gruwelversterkend, AJ). In die tijd moeten de meeste inzittenden buiten bewustwzijn zijn geraakt en doodgevroren. Als een vliegende graftombe is het vervolgens bij Marathon, veertig kilometer ten noorden van Athene, zijn neergestort.'

Schitterend, die graftombe.
Er komen nog meer ijzingwekkende details in het verhaal voor, zoals de man die nog kans zag een gedicht te SMS-en naar zijn neef in Athene: 'De piloot is blauw geworden/ Neef vaarwel/ we bevriezen.'
Of de F16-piloot die twee passagiers in de cockpit vergeefs zag trachten het toestel onder controle te krijgen (in die Amerikaanse films praten ze zo'n jumbo altijd makkelijk in een paar minuten aan de grond, als iedereen tenminste zijn kalmte bewaart).
En tenslotte de observatie van een fotograaf van Reuters die aanwezig was op de plaats van de crash: 'Twee verbrande lichamen hielden elkaar in een innige omarming vast.'
Kijk, dat 'innig' - dat had nou weer niet gehoeven.

Posted by jaeggi at 10:21 am

12 augustus 2005

vangst van de dag (6)

'Iedereen had recht op geluk, dat ze vooralsnog om onduidelijke redenen onthouden werd, daarom was de zaal vol strakke, ongeduldige gezichten.'

(Pluto, hoofdstuk 7)

Posted by jaeggi at 12:17 pm

10 augustus 2005

aber kein Wort über Hobbitsex

(Gisteren na repetitie met de band om half twee thuis, te wakker om te slapen. Na de herhalingen van nieuws en Nova maar weer eens In de ban van de ring in de dvd-speler gelegd. Om half 5 wakker geschrokken toen met veel geraas de Zwarte Toren instortte.
Daarom, en daarom alleen, dit zotte essay dat ooit in een Duits tijdschrift heeft gestaan. Voor de gemakzuchtigen: de Nederlandse vertaling staat eronder
.)

Ist „Der Herr der Ringe“ mehr als eine mitreißende, altmodische Geschichte über den endlosen Kampf zwischen Gut und Böse? Sehr bald werden wir von den Filmbildern überflutet. Solange es noch geht: zurück zu Tolkien und seinem umstrittenen Werk.
Von Adriaan Jaeggi

Selten wird ein Universum auf schlichtere Weise entstanden sein: an einem heißen Sommertag im Jahre 1930, „als es noch weniger Lärm gab und mehr Grün“, saß John Ronald Reuel Tolkien, Professor für angelsächsische Literatur an der Universität von Oxford, und korrigierte Arbeiten. Einer seiner Studenten hatte eine Frage unbeantwortet gelassen, und ohne nachzudenken schrieb Tolkien in die freigelassene Stelle: „In einem Loch in der Erde, da lebte ein Hobbit.“
In den Schützengräben des Ersten Weltkrieges trug Tolkien bereits ein Notizbuch mit sich herum, das den Titel Die verschollenen Geschichten trug. Darin schrieb er seine Phantasien über eine mythische Welt nieder, die später im Silmarillion, Tolkiens unlesbarer Bibel, ausgearbeitet werden sollten. Aber der wirkliche Anfang von Mittelerde, der göttliche Funken, der auch die Elben, die Mûmakils und die teuflischen Balrogs hervorbrachte, war die Geburt des ersten Hobbits: Bilbo Beutlin. Tolkiens Eingebung sollte schließlich in einem Epos von ungefähr 1600 Seiten münden (einschließlich der „Ouvertüre“ Der Hobbit): Der Herr der Ringe, eine Geschichte von einer verlorenen Welt aus einem Zeitalter weit vor dem unseren, komplett mit einer bis in kleinste Details ausgearbeiteten Topographie, Geschichte, Sprachen, selbst entworfener Runenschrift und sogar einer eigenen Schöpfungsgeschichte, die im Silmarillion beschrieben wird.
Warum Tolkien sein Gekritzel nicht, so wie die meisten von uns es tun würden, Gekritzel sein ließ, sondern es stattdessen zu einem gargantuesken Werk ausarbeitete, dessen Umfang noch immer anwächst – anläßlich der Verfilmung des ersten Teils des Herrn der Ringe erschienen unter anderem seine Unfinished Tales – erklärt sich teilweise aus seinem Selbstbild, das er einmal in einem Interview schilderte: „Außer in der Größe bin ich in jeder Hinsicht ein Hobbit. Ich mag Gärten, Bäume und nicht-maschinell bebautes Ackerland; ich rauche Pfeife und mag gutes, einfaches Essen (nicht aus der Tiefkühltruhe), aber ich verabscheue die Französische Küche; ich mag lebhaft bunte Westen, und ich traue mich auch, sie in diesen traurigen Zeiten zu tragen. Ich bin verrückt nach Champignons (vom Feld); habe einen sehr einfachen Humor (den sogar die Kritiker, die mich schätzen, ziemlich ermüdend finden); ich gehe spät schlafen und stehe spät auf (wenn möglich).“ Mit diesem koketten Selbstporträt will Tolkien betonen, daß Hobbits keine Erfindung sind: Er ist selbst einer. Wer den Hobbit gelesen hat, wird sofort Bilbo Beutlin darin wiedererkennen. Diese Verflechtung von Phantasie und Realität ist kennzeichnend für Tolkiens „faërie“: phantastische Geschichten, die in einer anderen Realität spielen.

Der Hobbit und Der Herr der Ringe sind aus der Perspektive eines Gelehrten geschrieben, der historische Quellen untersucht. Dies ist einer von vielen Fäden, mit denen Tolkien seine Phantasiewelt mit unserer Welt verbindet: Der fiktive Charakter Bilbo ist der Historiker, der die Geschichte von Mittelerde, und die Rolle des Kleinen Volkes darin, geschrieben hat, und Tolkien ist derjenige, der die historische Quelle für die heutige Öffentlichkeit erschließt. Es gibt dutzende Hinweise in dem Werk, aus denen wir schließen müssen, daß es Mittelerde wirklich einmal gegeben hat. Da ist die nebenbei eingeworfene Bemerkung (im Hobbit), daß Bandobras Tuk, ein Verwandter von Bilbo, das Golfspiel erfand als er den Kopf eines Goblins abschlug, der dann in einen Kaninchenbau rollte. Und fortwährend wird mit Traurigkeit und Wehmut über die Zukunft gesprochen, wenn die Rasse der Menschen über die Erde herrschen wird, und Elben, Zwerge und Hobbits entweder ausgestorben oder scheu und ängstlich geworden sind. Es ist unsere eigene Schuld, sagt Tolkien vorwurfsvoll, daß die Hobbits uns heutzutage aus dem Weg gehen, „wenn große Leute wie du und ich entlanggestolpert kommen“.
Diejenigen, die wie ich das Buch in dem glücklichen Alter lasen, in dem Phantasie und Realität noch unbemerkt, mühelos ineinanderfließen können, erinnern sich an die große Aufregung, die solche beiläufigen Bemerkungen verursachten. In der London Review of Books (15.11.2001) bekennt die Journalistin Jenny Turner, daß sie in solchen Momenten „wirklich glaubte, daß die Welt im Buch die Welt da draußen übernommen hat.“ Es ist ein Verfahren, das auch die Bücher von Harry Potter so beliebt macht: die Vermischung der Welt der Zauberer mit der der Muggel, in der wir selbst leben, und die Vorstellung, daß der Übergang von der einen zur anderen, spannenden Welt zum Greifen nah ist. Man braucht nur zu glauben, daß man durch eine Mauer gehen kann, und befindet sich auf dem Bahnsteig 9 ¾, wo der Zug in die magische Welt bereitsteht.
Seine Ansichten über das Schreiben von Fantasy hat Tolkien in einem Vortrag dargelegt, den er 1938 hielt, als er gerade mit dem Herrn der Ringe begonnen hatte. Tolkien machte deutlich, daß ein Schreiber von „faërie“ seiner Schöpfung zuallererst Glaubwürdigkeit verleihen muß. Die „Subwelten“ der Phantasie müssen in einem glaubwürdigen, konsistenten Universum verwurzelt sein, auch wenn es ein Universum ist, das nicht durch dieselben Gesetze wie unseres regiert wird. Tolkien war auch klar, daß ein Leser nicht lange Sympathie oder Interesse für Personen oder Situationen aufbringen kann, in denen er nicht nicht einen beträchtlichen Teil von sich und seiner eigenen Welt wiedererkennt. Deshalb, schrieb er, mußten solche Welten das Gewöhnliche mit dem Außergewöhnlichen verbinden, Fiktion mit Realismus. „Es ist nicht schwer“, schrieb Tolkien, „sich eine Welt mit einer grünen Sonne auszudenken. Die Herausforderung ist, sich einen Grund dafür auszudenken, daß die Sonne grün ist.“ Der große Unterschied zwischen Tolkien und seinen Epigonen besteht darin, daß die Welt, die er schuf, nicht nur eine atemberaubend detaillierte Phantasiewelt ist, sondern vor allem, daß es eine historische Welt ist, eine, die weit in unserer Vergangenheit liegt, doch so sehr mit unserer verbunden scheint, daß wir nur zu gern glauben möchten, daß es sie einmal gab.
Fantasyliteratur, zu deren Urvätern Tolkien zählt, wird oft als Eskapismus abgetan, als Flucht in eine Welt, in der sich die täglichen Probleme auf die unbequeme Paßform seines Kettenhemdes beschränken, die beunruhigende Anwesenheit von Trollen und Wölfen im nächsten Wald, und in der die bösen Ritter an ihren schwarzen Rüstungen und ihren blutroten Schilden zu erkennen sind.
Obwohl jenes Mittelerde, das Tolkien schuf, alle Merkmale einer solchen idyllischen Fluchtwelt aufweist, ist es auch ihm nicht gelungen, die Zeit, in der er lebte, außen vor zu lassen. Das Buch ist typisch für das frühe 20. Jahrhundert in seinem Antimodernismus, seiner Fortschrittsangst und Xenophobie. Charakteristisch ist auch Tolkiens Vorliebe für die Schäferlandschaft seiner Jugend, die englischen Midlands mit ihren Hecken und Bäumen: die Landschaft, die er als das Auenland verewigte, wo die Hobbits leben. Im Film wird diese Landschaft überschwenglich zelebriert. Es ist eine Aneinanderreihung von blühenden Rosensträuchern, ländlichen Bauernsiedlungen mit Fachwerkhäuschen, malerischen dörflichen Marktplätzen und wogenden Feldern. Am Rande dieser freundlichen Landschaft befinden sich ein paar unheimliche, den Horizont verschandelnde Pfahlwerkzäune[1], die ebenfalls Teil von Tolkiens Phantasiewelt sind. So ist da zum Beispiel die recht arisch anmutende Überlegenheit der Elben, ganz zu schweigen von ihrem Herrenvolk‑artigen Äußeren. Es ist schon viel über Tolkiens vermeintlichen Rassismus und Antisemitismus geschrieben worden. So stammen viele Anhänger des Dunklen Herrschers aus den südlichen Landen, sie haben schwarze Haut und „rollende Augen“. Abgesehen von ihrem blutrünstigen Charakter besitzen sie alle karikaturistischen Merkmale des Schwarzen Piet[2], bis hin zu den goldenen Ringen in ihren Ohren. Was bei der Kritik an Tolkiens „Rassenlehre“ schon mal vergessen wird, ist, daß er nicht mehr oder weniger rassistisch war als viele seiner Zeitgenossen. In Tolkiens Tagen hatten Rassismus und Xenophobie einen anderen Klang als heute. Es ist auch eine literarische Rechtfertigung für Tolkiens parteiische Rollenverteilung zu finden: Ein Schwarzer im Auenland hätte die innere Konsistenz und Logik von Mittelerde unrettbar gestört. Es wäre einfach nicht glaubwürdig. Merkwürdiger noch als die Abwesenheit von Schwarzen – außer als Bösewichten – ist die völlige Abwesenheit von Mönchen, Klöstern, Kirchen und damit Religion, etwas, das in der Vorstellung einer mittelalterlichen Welt einfach nicht fehlen kann. Und, womöglich noch merkwürdiger: die nahezu völlige Abwesenheit glaubwürdiger Frauen. In Tolkiens Welt sind Frauen entweder unerreichbare, kühle Maiden, wie die Elbenkönigin Galadriel, oder der häusliche The-girl-next-door-Typ, wie Rosie Kattun, die zukünftige Ehefrau von Sam Gamdschie.
Nach allen Entbehrungen, Schlachten und Greueln endet Der Herr der Ringe mit Sams Rückkehr nach Hause, wo Rose resolut ihr gemeinsames Töchterchen Elanor auf seinen Schoß setzt. Über den Hobbitsex, der dieser häuslichen Szenerie logischerweise vorausgegangen sein muß, läßt uns Tolkien im Ungewissen: für Sex ist kein Platz in Mittelerde[3]. Die aufregendste erotische Ausschweifung auf 1600 Seiten besteht aus einem langen warmen Bad und danach einem späten Frühstück in der Sonne draußen vor dem Haus.

Hat Tolkiens Werk noch irgendeine Verbindung mit unserer Zeit, außer der Millionen verschlingenden Verfilmung und den unvermeidlichen Orks, Hobbits, Zwergen und Elben, die wir zu zu jedem McDonald’s Happy Meal mit dazubekommen? Ist Der Herr der Ringe mehr als eine mitreißende, aber altmodische Geschichte über den endlosen Kampf zwischen Gut und Böse?
Es hängt von den modernen Lesern ab. Wenn man bereit ist, mit dem archaischen Schreibstil und den zeitbedingten Denkbildern eines irgendwie naiven, prüden Professors vorliebzunehmen, spricht doch trotz allem Waffengeklirr und den hochromantischen Idealen eine aufrichtige Besorgnis aus Tolkiens Werk. Wer das Buch zum soundsovielten Mal wieder liest, sei es aus Nostalgie, sei es aus Ungläubigkeit, daß es früher solch einen Eindruck machte, kommt zu dem Schluß, daß die Geschichte weiter reicht als der schlichte Streit zwischen guten und bösen Mächten. Obwohl Tolkien dazu neigt, jede Form von Fortschritt zu verteufeln, ist seine Ansicht, daß der Mensch sich weigert, aus der Geschichte zu lernen, auffällig aktuell. So bezweifelt die jüngere Generation im Hobbit offen die Existenz des sagenhaften Drachen, von dem die Alten immer wieder aufs Neue beginnen. Es ist, als ob man jemanden seufzen hört, daß doch endlich mal Schluß sein muß „mit dem Geunke über den Krieg“. Unterdessen öffnet einige Kilometer weiter der Drache Smaug seine Augen.

Die Kritik versuchte den Herrn der Ringe oft als Studie des Bösen in der modernen Gesellschaft zu deuten, indem man eine Verbindung zwischen den Vertretern des Bösen in Tolkiens Werk und ihren zeitgenössischen Gegenpolen herstellte. Aber wer Tolkien im Lichte moderner Entwicklungen liest, könnte auch argumentieren, daß er nicht vor einem Bösen außerhalb warnt, sondern daß wir selbst das Böse sind.
Als die letzte Schlacht um den Ring geschlagen und die Ordnung wiederhergestellt ist, scheint sich etwas in der Weltordnung fundamental verändert zu haben. Es ist der Beginn des Zeitalters der Herrschaft der Menschen, und die anderen Völker, die Elben, die Zwerge, die Baummenschen und die Hobbits werden zwangsläufig durch den Menschen verdrängt werden. Die Welt wird dadurch zu einem leereren, kahleren Ort. Der Mensch hat die Erde zu dem gemacht, was sie ist, und Teile dieser Welt beginnen unverkennbare Ähnlichkeit mit den trostlosen, vergewaltigten Landen von Mordor, dem Reich des Bösen, zu zeigen.
Es ist unwahrscheinlich, daß Tolkien auf eine Rolle als Prophet Wert legte. Seine Voraussagungen haben sich, für alle, die sie herauslesen wollen, zu einem gewissen Grad bewahrheitet. Doch der Autor selbst hatte schon vor seinem Tod eine Wahl getroffen zwischen der Welt, in der er lebte, und der Welt, die er erfunden hatte. Als seine Frau Edith, die Mutter seiner vier Kinder, 1971 starb, ließ er den Namen Luthien (die wichtigste Heldin im Ring[4]) auf ihren Grabstein setzen. Einige Jahre später starb Tolkien selbst. Sein Grabstein trägt den Namen von Beren, Lúthiens Geliebten.

Adriaan Jaeggi

[1] Ich weiß nicht, was damit gemeint ist. Es war die einzig mögliche Übersetzung. Wenn jemand eine Erklärung hat – her damit!

[2] In den Niederlanden begleitet der Schwarze Piet, oder vielmehr mehrere Schwarze Pietjes, den Heiligen Nikolaus, wenn die Kinder am 6. Dezember Geschenke erhalten. Wer mag, kann dazu auch „Six to Eight Black Men“ von David Sedaris lesen. Ich hab Tränen gelacht.

[3] Noch viel interessanter finde ich, daß im Hobbit, bei der Flucht aus dem Palast des Waldelbenkönigs, die Zwerge mindestens 24 Stunden in den Fässern eingeschlossen sind. Aber wir wissen ja alle, daß die Helden in Fantasyromanen niemals gewisse natürliche Bedürfnisse verspüren. Oder Zwerge können einfach viel länger ohne Pinkelpause. Oder sie verstecken die Kathederbeutel in ihren langen Bärten.
Möglicherweise habe ich in letzter Zeit zuviel Pratchett gelesen.

[4] Da hat wohl jemand nicht ganz aufgepaßt. Aber für einen entsprechenden Vergleich kann ich allen Interessierten auf der „Tolkien Crackpot Theories Page“ (auf Tolkien Sarcasm Page ) den kleinen Aufsatz mit dem Titel „Who was the better fighting babe – Arwen or Luthien?“) empfehlen.

Übersetzung (einschließlich der albernen Fußnoten): Maria Steinacker


En hobbitsex ho maar - over In de Ban van de Ring, Tolkiens Faërie, en erotiek in Midden-Aarde.

Zelden zal een universum op een nederiger manier zijn ontstaan: op een hete zomerse dag in 1930, 'toen er minder lawaai was en meer groen', zat John Ronald Reuel Tolkien, professor in Angelsaksische literatuur aan de universiteit van Oxford, proefwerken te corrigeren. Een van zijn studenten had een vraag onbeantwoord gelaten, en gedachteloos schreef Tolkien in de opengelaten ruimte: 'In een hol in de grond woonde een hobbit.'
In de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog droeg Tolkien al een opschrijfboekje met zich mee met de titel De verloren verhalen, waarin hij fantasieën neerschreef over een mythische wereld, die later uitgewerkt zouden worden in de Sylmarillion, Tolkiens onleesbare bijbel. Maar het werkelijke begin van Middenaarde, de goddelijke vonk die ook de elfen, de Múmakils en de duivelse Balrogs voortbracht, was de geboorte van de eerste hobbit: Bilbo Balings. Tolkiens ingeving zou uitmonden in een epos van een slordige zestienhonderd pagina's (inclusief de 'ouverture' De hobbit): In de ban van de ring, een geschiedenis van een verloren wereld uit een tijdperk ver voor het onze, compleet met een tot in de kleinste details uitgewerkte topografie, geschiedenis, talen, zelf ontworpen runenschrift en zelfs een eigen scheppingsverhaal, beschreven in de Silmarillion, net zo langdradig en uitputtend als in de 'echte' Bijbel.
Waarom J.R.R. Tolkien niet, zoals de meesten van ons, zijn droedel zijn droedel heeft gelaten maar hem in plaats daarvan uitwerkte tot een gargantuesk werk dat nog altijd in omvang groeit - ter gelegenheid van de verfilming van De Ring kwamen onder meer de Nagelaten vertellingen uit - is deels te verklaren uit het beeld dat hij ooit van zichzelf schetste in een interview: 'Behalve in grootte ben ik in alle opzichten een hobbit. Ik houd van tuinen, bomen en niet-gemechaniseerd akkerland; ik rook pijp en houd van goed simpel eten (niet uit de diepvries), maar ik verafschuw de Franse keuken; ik houd van, en durf zelfs te dragen in deze saaie tijden, drukke kleurige vesten. Ik ben dol op champignons (van het veld); heb een zeer simpel gevoel voor humor (dat zelfs de critici die mij waarderen tamelijk vermoeiend vinden); ik ga laat naar bed en sta laat op (zo mogelijk).'
Met dit kokette portret wil Tolkien benadrukken dat hobbits geen verzinsel zijn: hij is er zelf een. Degenen die De Hobbit hebben gelezen zullen er onmiddelijk Bilbo Balings in herkennen. Deze verweving van fantasie en realiteit is kenmerkend voor Tolkiens opvattingen over het klassieke genre waartoe In de ban van de ring behoort, de 'Faërie': fantastische verhalen die spelen in een andere realiteit dan de onze.
Het perspectief van waaruit De Hobbit en In de ban van de ring zijn geschreven is dat van een geleerde die historische bronnen onderzoekt. Het is een van de vele draden waarmee Tolkien zijn fantasiewereld verbindt met onze wereld: het fictieve karakter Bilbo is de historicus die de geschiedenis van Middenaarde, en de rol van het Kleine Volk daarin, heeft beschreven, en Tolkien is degene die die historische bron voor het hedendaagse publiek ontsluit.
Er zijn tientallen verwijzingen in het werk waaruit wij moeten lezen dat Middenaarde werkelijk bestaan heeft, in een era lang voor de onze. Zo is er de achteloze opmerking (in De Hobbit) dat Bandobras Toek, een familielid van Bilbo, het golfspel uitvond toen hij het hoofd van een aardman afsloeg en het in een konijnehol rolde. En aan het begin van In de ban van de ring zingen de hobbits een liedje dat de eeuwen klaarblijkelijk heeft overleefd, als het engelse kinderliedje Hey Diddle Diddle ('the cat played the fiddle and the cow jumped over the moon'). En voortdurend wordt er met droefheid en heimwee gesproken over de toekomst, waarin het ras der mensen over de aarde zal regeren, en elfen en dwergen en hobbits óf uitgestorven zijn, óf schuw en bang geworden. Het is onze eigen schuld, zegt Tolkien verwijtend, dat de hobbits ons tegenwoor-dig ontwijken 'als grote lui zoals jij en ik langs komen banjeren'.
Degenen die, zoals ik, het boek lazen op de gelukkige leeftijd dat fantasie en realiteit nog moeiteloos in elkaar overvloeien, herinneren zich de grote opwinding die zulke terloopse opmerkingen veroorzaakten. In de Londen Review of Books van 15 november bekent journaliste Jenny Turner dat zij op zulke momenten 'werkelijk geloofde dat de wereld binnen het boek de wereld erbuiten had overgenomen'. Het is een procedé dat ook de boeken van Harry Potter zo onvoorstelbaar populair maakt: de vermenging van de 'tovenaarswereld' met die van de Dreuzels waarin wij zelf leven, en de suggestie dat de overgang van de ene naar de andere wereld binnen handbereik ligt. Je hoeft alleen maar te geloven dat je door een muur heen kunt lopen en je bevindt je op Perron 9 3/4, waar de trein naar de magische wereld klaarstaat.
Zijn opvattingen over het schrijven van fantasy heeft Tolkien uiteengezet in een lezing die hij hield in 1938, toen hij net begonnen was aan De Ring. Tolkien betoogde dat een schrijver van 'Faërie' zijn schepping allereerst geloofwaardigheid moet geven. De 'subwerelden' van de fantasie moeten geworteld zijn in een geloofwaardig, consistent universum, ook al is het een universum dat niet wordt geregeerd door de wetten die bij ons gelden.
Tolkien begreep ook dat een lezer niet lang sympathie of interesse kan opbrengen voor personen of situaties waarin hij niet een aanzienlijk deel van zichzelf en zijn eigen wereld herkent. Daarom, schreef hij, moesten zulke werelden het gewone combineren met het buitengewone; fictie met realisme. 'Het is niet moeilijk,' schreef Tolkien, om een wereld te bedenken met een groene zon. De uitdaging is om een reden te verzinnen dat die zon groen is.'
Het grote verschil tussen Tolkien en veel van zijn epigonen - of zoals uitgevers ze graag noemen: zijn erfgenamen - is dat de wereld die hij schiep niet alleen een adembenemend gedetailleerde fantasiewereld is, maar vooral dat het een historische wereld is, een die ver in ons verleden ligt, maar zozeer met de onze verbonden lijkt dat we zielsgraag willen geloven dat hij ooit bestaan heeft.
Fantasy-literatuur, waarvan Tolkien een van de oervaders is, wordt vaak afgedaan als escapisme, een manier om te ontsnappen, naar een wereld waar de dagelijkse problemen zich beperken tot de ongemakkelijke snit van je maliënkolder, en waarin kwade ridders makkelijk herkenbaar zijn aan hun zwarte harnassen en bloedrode schilden.
Hoewel het Middenaarde dat Tolkien schiep alle kenmerken vertoont van zo'n idyllische vluchtwereld is ook hij er niet in geslaagd om de tijd waarin hij leefde buiten te houden. Het boek is vroeg negentiendeeeuws in zijn antimodernisme, angst voor de vooruitgang en xenofobie. Typerend is ook Tolkiens hang naar het idyllische pastorale landschap van zijn jeugd, de Engelse Midlands met zijn heggen en bomen: het landschap dat hij vereeuwigde als De Gouw, waar de hobbits leven. In de film wordt dat landschap uitbundig gevierd. Het is een aaneenschakeling van bloeiende rozenstruiken, landelijke boerennederzettingen met vakwerkhuisjes, pittoreske dorpspleinen en gezellige gelagkamers met robuust meubilair. Het is, zeker op een bioscoopscherm, even indrukwekkend als het boek bij eerste lezing is voor een ontvankelijke lezer. Pas bij nadere beschouwing begint het op te vallen dat zich aan de horizon van dit vriendelijke landschap een paar akelige, horizonvervuilende staketsels bevinden, die evengoed onderdeel van Tolkiens fantasiewereld zijn.
Zo is daar bijvoorbeeld de nogal arisch aandoende superioriteit van de Elfen, om niet te spreken van hun Herrenvolk-achtige uiterlijk. Er is al veel geschreven over Tolkiens vermeende racisme en antisemitisme. Zo stammen veel aanhangers van de Zwarte Vorst uit de zuidelijke landen en hebben zwarte huiden en 'rollende ogen'. Afgezien van hun bloeddorstige karakter vertonen ze alle karikaturale kenmerken van Zwarte Piet, tot aan de gouden ringen in hun oren toe. Maar wat bij de kritiek op Tolkiens 'rassenleer' wel eens wordt vergeten is dat hij waarschijnlijk niet meer of minder racistisch was dan veel van zijn tijdgenoten. In Tolkiens dagen hadden racisme en xenofobie een andere klank dan tegenwoordig. Ook is er wel een literaire rechtvaardiging te vinden voor Tolkiens partijdige rolverdeling: een neger in De Gouw zou de interne consistentie en logica van Middenaarde onherstelbaar hebben verstoord. Het zou simpelweg niet geloofwaardig zijn.
Merkwaardiger dan de afwezigheid van negers - behalve als booswichten - is de volledige afwezigheid van monniken, kloosters, kerken en daarmee religie, iets dat in een denkbeeldige middeleeuwse wereld eenvoudig niet kán ontbreken. En, zo mogelijk nog merkwaardiger: de vrijwel volledige afwezigheid van geloofwaardige vrouwen. In Tolkiens wereld zijn vrouwen óf onbereikbare, koele maagden, zoals de elfenkoningin Galadriel, óf huiselijke the-girl-next-door types, zoals Roosje Katoen, de aanstaande echtegenote van Sam Gewissies (in de film is hier iets meer aandacht aan besteed door Arwen en Eowyn een iets grotere rol te geven: namelijk die van mannen).
Na alle ontberingen, veldslagen en gruwelen eindigt In de Ban van de Ring met de thuiskomt van Sam, waarin Roosje kordaat hun dochtertje Elanor op zijn schoot plant. Over de hobbitseks die logischerwijs vooraf moet zijn gegaan aan dit huiselijke tafereel laat Tolkien ons in het ongewisse: ook voor seks is geen plaats in Middenaarde. De meest opwindende erotische uitspatting in zestienhonderd pagina's bestaat uit een lang warm bad en daarna een laat ontbijt in de zon voor het huis.
De onvermijdelijke vraag die dit oproept is: heeft het werk van Tolkien nog enige verbintenis met onze tijd, behalve de miljoenenverslindende verfilming ervan en de onvermijdelijke orkjes, hobbitjes, dwergjes en elfjes bij het McDonalds HappyMeal? Is In de ban van de ring meer dan een meeslepend, maar gedateerd verhaal over de eindeloze strijd tussen goed en kwaad?
Het hangt van de moderne lezer af. Als die bereid is de archaïsche schrijfstijl en de tijdgebonden denkbeelden van een enigzins naïeve, preutse professor voor lief te nemen spreekt er toch, achter alle wapengekletter en hoogromantische idealen, een oprechte bezorgdheid uit Tolkiens werk. Degene die de boeken voor de zoveelste keer herleest, hetzij uit hernieuwd enthousiasme, hetzij uit nostalgie, hetzij uit ongeloof dat het vroeger zo'n indruk maakte, zal tot de conclusie komen dat het verhaal verder reikt dan de simpele strijd tussen goede en kwade krachten. Hoewel Tolkien de neiging heeft om elke vorm van vooruitgang te demoniseren, is zijn visie dat de mens weigert te leren van de geschiedenis opmerkelijk actueel. Zo twijfelt de jongere generatie in De Hobbit openlijk aan het bestaan van de legendarische draak waarover ouderen altijd maar weer beginnen. Het is alsof je iemand hoort verzuchten dat het eindelijk eens afgelopen moet zijn 'met dat gezeur over de oorlog'. Ondertussen slaat enkele kilometers verderop de draak Smaug de ogen op.
De kritiek heeft In de ban van de ring vaak geprobeerd te duiden als een studie van het kwaad in de moderne samenleving, door een link te leggen tussen de vertegenwoordigers van het kwaad in Tolkiens werk (Sauron, de orks, de Nãzgul) en hun hedendaagse tegenpolen.
Maar wie Tolkien leest in het licht van moderne ontwikkelingen zou ook kunnen argumenteren dat het niet een kwaad van buiten is waar hij voor waarschuwt, maar dat wijzelf het kwaad zijn, of, nauwkeuriger, in de woorden van de dichter H.H. ter Balkt: 'de kleine beleefde knoppen van het kwaad'.
Als de laatste slag om de Ring gevochten is, en de orde weer hersteld, blijkt dat er iets fundamenteel veranderd is in de wereldorde. Het is het begin van het tijdperk van de heerschappij der mensen, en de andere volkeren, de elfen, de dwergen, de boommensen en de hobbits zullen onvermijdelijk door ons worden verdron-gen. De wereld wordt er een legere, kalere plaats door. De mens heeft de wereld gemaakt tot wat hij is, en delen van die tegenwoordige wereld beginnen onmiskenbaar gelijkenis te vertonen met de troosteloze, verkrachte landen rond Mordor, het domein van het kwaad.
Het is onwaarschijnlijk dat Tolkien een rol als profeet op prijs zou hebben gesteld. Zijn voorspellingen zijn, voor wie het erin wil lezen, tot op zekere hoogte bewaarheid geworden. Maar de schrijver zelf had al voor zijn dood hij de keuze gemaakt tussen de wereld waarin hij leefde en de wereld die hij bedacht had. Toen zijn vrouw Edith, de moeder van zijn vier kinderen, in 1971 stierf, liet hij de naam Lúthien (de belangrijkste heldin in De Ring) op haar grafsteen zetten. Enkele jaren later stierf Tolkien zelf. Zijn grafsteen draagt de naam van Beren, Lúthiens minnaar.

Posted by jaeggi at 01:54 pm

09 augustus 2005

nachtzwemmen (2)

De Bezige Bij zit erbovenop. Ze hebben zelfs tijd om weblogs te lezen èn te corrigeren. Hierbij een reactie op Nachtzwemmen.

Beste Adriaan,
Ik las je weblog over Nachtzwemmen. Natuurlijk kon ik niet weten dat jij ooit een boek Nachtzwemmen hebt willen noemen, maar dat Hagar Peeters dat heeft gedaan wist ik natuurlijk wel. Het is overigens geen uitgave van de Bij, maar een bibliofiele editie van Perdu (in 300 exemplaren). Ik heb daarom van tevoren gevraagd aan Hagar Peeters of zij er problemen mee had als we een debuutroman met die titel zouden uitgeven. Omdat het een eenmalige, inmiddels niet meer leverbare titel betrof (die later integraal in een andere bundel zal verschijnen) en ook al een ander genre, ging zij daarmee akkoord. Ditzelfde verzoek richtten wij aan Marcel Möring die ooit een verhaal met deze titel schreef. Als zij niet waren akkoord gegaan had
mijn debutant Peter du Gardijn helaas een andere titel moeten kiezen, maar dat was dus gelukkig niet nodig. Ik heb overigens ook ooit nog Alfred Schaffer aangeraden een andere titel te nemen omdat hij zijn bundel Disgenoten wilde noemen, wat weer een titel van Atte Jongstra was. Je ziet, we hebben het op de Bij niet altijd te druk om stil te staan bij bepaalde zaken.
Met allerbeste groet,
Victor Schiferli

Posted by jaeggi at 12:57 pm

de leo beenhakker van de literatuur

(van een onzer verslaggevers)
Jeroen Vullings, literatuurcriticus van Vrij Nederland en redacteur van het net opgerichte literaire blad Kinbote stapt met ingang van het tweede nummer uit de redactie. De overblijvende redactieleden (Joris van Casteren, Arie Storm en Menno Wigman) zullen Kinbote ('polemische beschouwingen, literaire achtergrondreportages, verhalen en gedichten over de betekenis van literatuur in onze moderne tijd') zonder Vullings moeten maken.
Eerder stapte Vullings voortijdig uit de jury van de Gouden Doerian. Met zijn tweede voortijdig opstappen binnen een jaar streeft Vullings ernaar, volgens insiders, om de Leo Beenhakker van de literatuur te worden.

Posted by jaeggi at 12:02 pm

nachtzwemmen

In de maanden voordat mijn eerste boek uitkwam, de dichtbundel Cowboys hebben het maar makkelijk, heb ik klamme nachten doorwaakt omdat ik bang was dat een of andere vuige dichter er vóór mij vandoor zou gaan met die geweldige titel.
Dat gebeurde niet.
In de dagen voordat mijn tweede boek uitkwam werd ik weer gekweld door de angst dat iemand met mijn titel aan de haal zou gaan. Ik zou toch niet de enige zijn met het oergeestige idee om je debuutroman de titel De Tol van de Roem mee te geven?
Het gebeurde niet.
Ik vroeg andere schrijvers er eens naar - heel voorzichtig, maar gelukkig bleek het een bekende angst. Op het moment dat je je definitieve titel had gekozen ging je over straat met één blik op je binnenzak en één blik op de lucht, of de gieren al boven je hoofd
cirkelden. Daarom houden de meeste schrijvers hun titel geheim tot het laatst, alsof ze bang zijn dat ze met hun titel ook hun hele boek kwijtraken - een even rationele angst als van de spreekwoordelijke inboorlingen die niet gefotografeerd willen worden omdat ze vrezen hun ziel te verliezen.

Inmiddels ben ik rustiger. Ik ben niet meer bij elk boek bang dat mijn titel al vergeven zal zijn, want de ervaring heeft geleerd dat ik titels kies waar anderen niet op komen. (Zelfs Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten is door niemand geclaimd - ombegrijpelijk).
Toch komen titeldubbelingen regelmatig voor.
De meest gebruikte titel in het Nederlands is Vermoorde onschuld. Een vroegere vriendin van mij gebruikte die titel voor haar eerste roman. Ze lag er kennelijk geen seconde wakker van dat er al een kleien veertig boeken met die titel bestonden.
Ook een verleidelijke titel die je juist niet moet gebruiken is Nachtzwemmen. Dit weet ik omdat:
- ik ooit heb overwogen om mijn tweede roman zo te noemen. Ik heb een nachtje wakker gelegen, en de volgende ochtend de titel veranderd in Held van beroep;
- de derde dichtbundel van Hagar Peeters zo heet;
- de debuutroman van Peter du Gardijn zo heet.
Peter du Gardijn?
Ja, de nieuwste debutant van De Bezige Bij.
De Bezige Bij? Is dat niet ook de uitgeverij van Hagar Peeters?
Ja, nou je het zegt. Zouden ze het bij de Bij geen probleem vinden dat ze twee keer binnen één jaar dezelfde titel gebruiken voor twee verschillende boeken? Geeft dat geen verwarring?
Ach, daar hebben ze het bij de Bij veel te druk voor. Die liggen daar heus geen nacht van wakker.

Posted by jaeggi at 11:35 am

08 augustus 2005

zomerfeuilleton (slot)

Hij grijnsde van oor tot oor. Zijn hand was warm en een klein beetje vochtig. Zweet glansde op zijn voorhoofd. Ze sloeg haar armen om zijn nek en drukte haar lippen op zijn wang.
'Dankjewel,' fluisterde ze. 'Dankjewel.'
Ze voelde hoe hij aarzelend zijn handen op haar rug legde, en ze schoof met haar lippen over zijn wang tot ze zijn mond voelde. Hij verstijfde, maar ze drukte hem tegen zich aan en perste haar lippen op zijn mond. Langzaam gaf hij mee, zijn mond werd zacht en ze liet haar tong over haar lippen glijden, zijn mond in. Hij drukte haar vaster tegen zich aan en één hand gleed over haar rug naar onder. Ze greep met beide handen in zijn haren.
Na ontelbare seconden liet hij haar los. Duizelig liet ze haar armen van zijn schouders glijden. Haar gezicht gloeide. Ze lachte wazig naar hem. Met platte handen streek ze haar jurk plat over haar buik, haalde diep adem en draaide zich om.
Iedereen keek. Max, Van Reeuwijk, de jonge adviseurs in hun witte overhemden, de vrouwen met hun biefstukgezichten, haar andere zoon met zijn gezicht vol houtskoolstrepen, iedereen staarde met grote ogen naar de kleine foxterriër die met dichtgeknepen ogen en schokkend lijf de ene na de andere halfverteerde hamburger op het kortgeknipte gazon deponeerde.


The End

Posted by jaeggi at 12:41 pm

07 augustus 2005

zomerfeuilleton (5)

'En zijn nulzesnummer is: nulzes...'
'... nog steeds op die barbecue. Nee, ik maak het niet laat...'
Nora liep met een dienblad vol glazen langs drie mannen die met hun ruggen naar elkaar toe in hun vuist stonden te praten. Toen ze weer naar buiten kwam werd ze bijna ondersteboven gelopen door een hijgende foxterriër. Ze greep Max junior, die er achteraan draafde, bij zijn arm en trok hem naar zich toe. Hij kronkelde in haar greep.
'Max? Heb je wat gegeten lieverdje? Heb je ook wat sla gehad?'
Hij wrong zich los en rende achter de hond aan. Ze keek hem na.
'Wat een leukerd,' zei een stem naast haar.
Ze knikte afwezig. 'Het is een echte rashond,' zei ze.
'Ik bedoelde eigenlijk je zoon,' zei Flip.
Nora voelde het bloed weer naar haar gezicht kruipen.
'Ik ook,' probeerde ze, na een paar panische seconden.
Gelukkig lachte hij.
'Heb je al wat te eten gehad,' vroeg ze. Ze wees naar de barbecue.
Hij schudde zijn hoofd, maar zonder haar ogen los te laten.
'Ik ben vegetariër,' zei hij. Ze keek hem aan, en van hem naar de rokende barbecue en naar de plastic borden met aangevreten hamburgers en kippepoten die overal in het gras lagen. Ze barstte in lachen uit.
Ze kon niet meer ophouden. Steeds als ze even moest stoppen om adem te halen zag ze zijn grijns, of iemand die een ketchupvlek op zijn overhemd stond te deppen met witte wijn, of een eenzame biefstuk in het gras, en dan kwam er weer een nieuwe lachstuip.
'Sorry,' hikte ze. 'Sorry hoor.'
Flip grinnikte. 'Geeft niet. Ik vind het ook wel grappig. Een vegetariër op een barbecue. Het lijkt net een of andere cartoon.'
'Ja.' Ze veegde de tranen uit haar ogen. Ze kon zien dat Max aan de andere kant van de tuin verbaasd naar haar stond te kijken.
De foxterriër rende langs, met zijn tong uit zijn bek. Max junior had hem bijna ingehaald. Hij rende tussen hen door, krijsend van opwinding.
'Max, lieverd...'
Ze zag hoe hij langs het rijtje coniferen rende, voorbij de gemetselde bakstenen brievenbus en tussen de geparkeerde auto's door de weg op.
'Max!'
Als ze er later aan terugdacht kon ze zich niet meer herinneren hoe de volgorde van de gebeurtenissen precies was geweest. Waarschijnlijk was er eerst het geluid van de autoclaxon geweest, lang en doordringend, en meteen daarop het gekrijs van banden op asfalt. Maar was Flip toen al in beweging? Was hij al onderweg naar het keurige rijtje coniferen, of zweefde hij er toen al overheen in een grote sprong, met één been naar voren en het andere recht naar achteren gestrekt, zoals hordenlopers op tv? Had Max zijn barbecue-pollepel al uit zijn handen laten vallen? Of kwam dat later, en stond hij toen alleen nog maar met zijn mond open te staren naar de auto die met afschuwelijke doelbewustheid op Max junior afstevende? Had ze op dat moment de langgerekte gil van Angela gehoord? Of was die inmiddels al flauwgevallen, met haar geblondeerde hoofd op de tegels?
'Max!'
Ze rende naar de weg, zijn naam roepend. Achter zich hoorde ze kreten van schrik en rennende voeten, maar ze wor-stelde zich door de struiken heen naar de weg, waar Flip stond met een verbaasde, hoogrode Max junior in zijn armen.
'Max, o god, Max, wil je, heb je niks?'
'Ik geloof dat hij een beetje geschrokken is,' lachte Flip, terwijl hij de jongen aan haar overgaf. 'Maar verder niks aan de hand hoor.'
'O god, o god, Max, liefie...' De tranen liepen over haar wangen en ze dacht: ik wist het, het moest nog een keer gebeuren vandaag. Door haar tranen heen zag ze de bestuurder van de auto. Hij zat met opgetrokken wenkbrauwen achter het stuur, alsof hij bij het remmen versteend was.
Max worstelde in haar omhelzing.
'Mam, zet me nou neer. Ma-ham...'
Ze liet hem los. Hij rende van haar weg, naar de mensen in de tuin die hem lachend inhaalden en op zijn rug klopten alsof hij een doelpunt had gescoord.
Ze stak haar hand uit. 'Dankjewel, Flip,' zei ze.
Hij grijnsde van oor tot oor. Zijn hand was warm en een klein beetje vochtig. Zweet glansde op zijn voorhoofd. Ze sloeg haar armen om zijn nek en drukte haar lippen op zijn wang.
'Dankjewel,' fluisterde ze. 'Dankjewel.'

(wordt vervolgd)

Posted by jaeggi at 02:18 am

06 augustus 2005

zomerfeuilleton (4)

Het duurde nog ruim een half uur voor de eerste mensen arriveerden, maar Max bleef zich bij iedere nieuwe gast uitgebreid verontschuldigen dat het 'wel een beetje geïmproviseerd is, alles was geregeld, maar ja, toen was die gekke Nora in slaap gevallen'. Dan keek hij naar haar om met een half vertederde uitdrukking op zijn gezicht, als een vader die naar zijn domme kindje lacht, en de mensen grinnikten en klopten hem op zijn rug en zeiden, als hij het vroeg: 'O, nou, een biertje zou er wel ingaan', alsof ze nog helemaal niet op de gedachte gekomen waren dat er wel eens bier zou kunnen zijn op een barbecue.
Terwijl Max bier en wijn uitdeelde, ondertussen mopperend dat de witte wijn niet koud genoeg was, bakte Nora het spek en kookte de aardappelen voor de aardappelsalade. Toen ze met een grote schaal nog dampende geprakte aardappelen naar buiten kwam laaide het vuur van de barbecue al hoog op. De mannen stonden eromheen. Max stond met een grote houten pollepel naar het vuur te wijzen.
Nora liep terug naar de keuken. Ze legde de biefstukken op een schaal en stapelde de hamburgers er omheen; een vesting van vlees. Balorig stak ze er een paar kippepoten tussen, die er als vaandels bovenuit staken.
'Schat, kan ik wat doen?' Een geblondeerd hoofd stak om de deuropening. Eronder verscheen een hand vol ringen die een glas met felblauwe inhoud omklemde.
'Hallo Angela. Wat leuk je te zien. Nou, als je deze schaal even naar buiten zou willen brengen, naar de mannen...'
'Maar natúúrlijk.'
De vrouw wiegelde de keuken in. Ze droeg een nauwsluitende spijker-broek en een openstaande witte bloes over een strak wit T-shirt waarin haar borsten naar adem snakten. Ze staarde even naar Nora's kin en richtte toen met een ruk haar ogen op het aanrecht.
'Wat enig, dat vlees zo.' Ze wees op de schaal. 'Zo decoratief.'
Ze zette haar glas op het aanrecht en legde haar brandende sigaret ernaast, met het brandende eind net over de rand.
'Even mijn handen vrijmaken.'
Nora legde de schaal op haar opgeheven handen en keek hoe zij heupwiegend de keuken uitliep en de tuin in. Toen ze bij de barbecue aankwam ging er een groot gejuich op.
Nora pakte de peuk van het aanrecht en nam er een ferme trek van, en nog een.

'Hij is er! Hij is er!' Max' hoofd was rood aangelopen van de opwinding, en zo te ruiken ook van de drank. 'Hij is er!' siste hij nog eens. Hij trok het plastic Heineken barbecueschort over zijn hoofd en liet het op de grond vallen.
'Rustig maar,' zei Nora. 'Het is je baas maar. Hij beslist alleen maar over je hele carriére.' Ze kon een glimlach niet onderdrukken toen ze zag dat Max nog een tint roder werd.
Samen liepen ze de tuin in. Max stond erop haar arm te nemen, iets dat hij voor het laatst had gedaan toen ze moesten poseren voor hun trouwfoto. Max riep de kinderen, maar Jasper bleef onverstoorbaar in zijn bord aardappelsalade spitten, en Max junior rende gillend achter zijn hond aan, een jonge foxterrier die hij op zijn verjaardag had gekregen. Het dier had de hele avond met veel succes lopen bedelen, en had de ene geblakerde biefstuk na de andere verschroeide hamburger naar binnen geschrokt. Hij kwam nauwelijks nog vooruit.
Nora had zich afgevraagd of Van Reeuwijk met zijn vrouw of met zijn vriendin zou komen. Ze had meer sympathie voor de echtgenote, maar het was vaak nogal zwaar om met haar te praten, omdat ze het gesprek onherroepelijk op een gegeven moment op haar man bracht. Dan probeerde ze altijd uit te vinden of jij misschien meer wist over 'die slet'.
Van Reeuwijk was zo iemand die er elke keer weer beter uitzag dan je van de vorige keer had onthouden. Zijn dikke, donkere haar was achterover gekamd en glansde nat, alsof hij net onder de douche uitkwam. Zijn witte overhemd stak stralend af bij zijn gebruinde gezicht. Hij deed een paar snelle stappen naar Max en Nora toe. Max stak zijn hand uit, maar Van Reeuwijk legde zijn handen om Nora's middel en trok haar naar zich toe.
'Dag schoonheid,' bulderde hij in haar oor. De derde kus landde, als altijd, half op haar mond. Pas toen hij haar losliet en zich naar Max wendde zag Nora de man die nog bij de auto stond te wachten.
'Hallo,' zei ze beduusd.
'Dag,' zei Flip.
'Kijk eens aan,' brulde Van Reeuwijk, 'jullie hebben al kennis gemaakt. Max, dit is Flip, de coming man van onze business, Flip, dit is Max, mijn trouwe rechterhand, of was het linkerhand Max?' Hij gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte bulderend. Daarna legde hij zijn handen op de schouders van de beide mannen en duwde ze voor zich uit in de richting van de andere gasten, die de hele tijd vanuit hun ooghoeken hadden staan kijken, wachtend op het moment dat ze hun borden en glazen neer moesten zetten. Nora liep achter de mannen aan. Van Reeuwijk keek over zijn schouder en knipoogde.

(wordt vervolgd)

Posted by jaeggi at 01:31 pm

zomerfeuilleton (3)

Ze parkeerde de auto achter het huis. Naast de achterdeur lagen twintig zakken houtskool die Max de week ervoor had laten bezorgen. Het rook als een afgebrand hondehok met de hond er nog in. Steeds als ze erlangs liep moest ze een licht gevoel van paniek onderdrukken.
Binnen liep ze naar de badkamer en haalde een flesje jodium uit het medicijnkastje. Ze zette zich op de bank in de huiskamer en stipte, met een half oog kijkend en tussen haar tanden sissend, de wond op haar knie aan. Ze luisterde of ze de kinderen al hoorde, maar op de kamers van Jasper en Max junior was het stil. Ze herinnerde zich vaag iets over een voetbaltoernooi.
De alcohol was nog niet helemaal uit haar lichaam verdwenen. Ze voelde hoe een onzichtbaar, zacht gewicht haar op de bank drukte. Ze zette de jodium op het tapijt, schopte haar schoenen uit en ging onderuit liggen, haar voeten omhoog tegen de armleuning. Haar knie klopte met een doffe, schrijnende regelmaat. Ze sloot haar ogen en dacht aan het incident. Het winkelwagentje dat de betonnen helling af reed, de klap van haar kin tegen de grond en de geluidloze flits in haar hoofd, zijn afgetrapte schoenen, zijn bezorgdheid - wanneer was hij eigenlijk begonnen met 'je' zeggen? Daar had ze hem helemaal geen toestemming voor gegeven. Zijn zakdoek, zijn hulp bij het inladen.
Ze had hem bedankt en gevraagd hoe hij heette.
'Flip.'
'O.'
Het was geen briljant antwoord, maar ze was even van haar stuk gebracht door dat Flip. Ze had iets anders verwacht, of gehoopt misschien, niet meteen Alexander of Leonard, maar wel iets... Iets met meer lettergrepen, eigenlijk.
Ze stonden tegenover elkaar.
'Nou, veel plezier met de barbecue dan maar.'
'Ja, dank je... Hoe wist je dat?'
Hij wees op de Volvo, waar een groot pak aanmaakblokjes tussen de stapels biefstukken en de achterruit geklemd zat.
'O,' zei ze. 'Ja, dankjewel.'
Er viel weer een stilte.
'Ik moet ook naar een barbecue, vanavond,' zei Flip.
Ze wist dat het stompzinnigste wat ze kon doen, nu nog een keer 'O' zeggen was.
'O,' zei ze.
Ze haalde voorzichtig de zakdoek van haar kin.
'Alsjeblieft,' zei ze. Hij schudde zijn hoofd.
'Hou maar.' Ze keek naar de zakdoek. Er was nauwelijks nog een plekje wit, de zakdoek was bijna egaal donkerrood.
'Nou, nogmaals bedankt.'
Hij knikte. Hij was naar zijn eigen auto gelopen en had gezwaaid voor hij zijn portier opende, en nog een keer toen hij wegreed.
Nora probeerde op haar horloge te kijken, maar ze kreeg haar arm niet omhoog. Ze viel in slaap op de bank met het beeld van hamburgers sissend op het vuur en het vet dat tussen de roosters door in het vuur drupte, en de vlammen die hoog oplaaiden.

Ze werd wakker met barstende koppijn. Toen ze haar ogen opende keek ze naar de knieën van Max.
'Wat ben jij in hemelsnaam aan het doen?'
Nora kreunde.
'Het is zes uur, verdorie! Over vijf minuten staat iedereen op de stoep!'
'Max, alsjeblieft...'
'Wat alsjeblieft, niks alsjeblieft, hoezo alsjeblieft...!' Met zijn armen zwaaiend liep hij naar de keuken. Onderweg trok hij zijn jasje uit en liet het achter zich op de grond vallen.
Hij was meteen weer terug.
'Waar is de drank? En het eten? Je hebt toch wel boodschappen gedaan? Nora, potjandosie...'
Vroeger, toen ze elkaar net ontmoet hadden, had ze het vertederend gevonden dat hij niet echt kon vloeken. Het was een tijdje een spelletje geweest, waarin zij probeerde hem echte godverdommes te ontlokken, en hij nooit verder kwam dan grinnikende nondejuutjes.
'Max, wil je even een paracetamolletje voor me pakken? Of hebben we nog van die Ibuprofen?'
'Nora, sakkerju...'
'De boodschappen liggen nog in de auto. Ik heb alles gekocht. Maar wil je even kijken of...'
Maar Max was de kamer al uit.

(wordt vervolgd)

Posted by jaeggi at 01:28 pm