« Schrijvers op de Parade presenteert: Ernest van der Kwast | Main | De Parade en De Avonden »

21 juni 2005

Schrijvers en geld

'Het was heel leuk op de Parade,' schrijft mij Ernest van der Kwast. 'Het is hard werken, maar wij zijn na vanavond 43,22 rijker.'
Schrijvers en geld, het blijft een onwennige combinatie.
Als schrijver ben je altijd op zoek naar manieren om geld te verdienen - kijk maar naar Remco Campert. Die treedt nu op in een Postbankreclame, naast Jan Mulder.
Is dat erg?
Niet zo erg als genitale wratten, maar misschien wel jeukverwekkend voor mensen die vinden dat kunstenaars maar van de wind moeten kunnen leven en zich niet bezig moeten houden met trivialiteiten als waar morgenochtend weer de huur van betaald moet worden. Wie het boek Ik heb er slechts één nul af gedaan, brieven aan de legendarische uitgever Geert Lubberhuizen heeft gelezen, weet dat Campert vooral in het begin van zijn carriére erg last van geldproblemen had, en wie zelf ooit echte geldproblemen heeft gehad weet dat je dat de rest van je leven met je meedraagt. Je bent nooit meer immuun voor geld.
Het is geen schande om geld te verdienen, zelfs niet voor schrijvers. Bovendien heeft Campert het leukste tv-hoofd dat ik de afgelopen jaren gezien heb.

Het onderwerp schrijvers en geld heeft al heel wat mooie literatuur opgeleverd. Een van de beste voorbeelden is natuurlijk John Fante. De openingsregels van zijn meesterwerk Ask the dust kent elke Fante-liefhebber - meestal ook geen rijkaards - uit zijn hoofd: 'One night I was sitting on the bed in my hotel room on Bunker Hill, down in the very middle of Los Angeles. It was an important night in my life, because I had to make a decision about the hotel. Either I paid up or I got out: that was what the note said, the note the landlady had put under my door. A great problem, deserving acute attention. I solved it by turning out the lights and going to bed.'

Ik spreek weleens mensen die vinden dat subsidie voor arme schrijvers alleen maar averechts werkt.
'Als je een echte schrijver bent lukt het je ook wel zonder geld van de overheid,' zeggen ze.
Daar is vast wel wat voor te zeggen, maar ik ben toch altijd blij dat ik voor dat soort momenten met vooruitziende blik altijd een paar chopsticks van de afhaalchinees in mijn binnenzak heb, zodat ik mij in een stil hoekje kan afzonderen en met trillende vingers de chopsticks in hele kleine flintertjes kan breken, onder het mompelen van de meest afschuwelijke verwensingen - misschien wat excentriek, maar sociaal gezien een stuk wenselijker dan spreker recht in het gezicht stompen.

Sommige mensen hebben geld. Sommige hebben talent. De combinatie is zeldzaam. Mensen met talent hebben net zo goed geld nodig als mensen zonder geld, want voor talent kun je geen brood kopen.
Hieronder nog een voorbeeld van talent dat geen geld heeft. Ik vond hem op een site, voor geestelijke gezondheidszorg met de treffende naam watisnormaal.
Hij heet Bert Aben. Hij is uitkeringstrekker en schrijver. Het eerste weet hij al. Het tweede nog niet. Ik hoop dat iemand het hem een keer vertelt.

'Vandaag is het zover. Op mijn fiets rijd ik in de vroege morgen naar de keuringsarts. Ik heb geoefend. Al mijn vrienden zeggen dat ik mijn uiterste best moet doen om mijn uitkering te behouden. Ik heb mijn oudste kleren aangetrokken. Ik ben al maanden niet meer naar de kapper geweest en sinds ik de oproep heb, is mijn scheerapparaat niet meer aangeroerd. Ik ben vannacht niet naar bed geweest. Ik moet er als een krant uitzien.
Wat zal de arts allemaal vragen? Wat ik de hele dag doe? Of mijn bezigheden zijn te classificeren als werkzaamheden. Ik heb mijn antwoord al klaar. Al maanden. Ik lig de hele dag op bed en kom er alleen maar uit om te eten en te poepen.
Ik krijg er zin in. Ik zal ze dus eens een poepie laten ruiken. Ik zet mijn verzet een tandje hoger en snuif met genoegen de frisse morgenwind in.
Ik bedenk dat de keuringsarts me zal aansporen om mijn leven anders in te delen. Om niet zoveel te piekeren en mijn hart te laten spreken. Ik zal gedwee knikken dat ik het helemaal met hem eens ben. Als ik de diepgang van de vragen niet kan peilen, zal ik zeggen dat ik barstende hoofdpijn heb en dat ik naar mijn bed verlang. Ik heb lol om mijn eigen genialiteit.
Ik trek de stoute schoenen aan en zet mijn verzet twee tandjes hoger. Ik rijd inmiddels alle fietsers voorbij en kijk telkens om en steek mijn tong uit naar al die halfslapende kantoorgezichten. Leuk hè?
Ik kom royaal op tijd. Ik zet mijn fiets 100 meter voor het pand aan de boom zodat ze niet hoeven te zien dat ik niet met de bus kom. In de hal krijg ik van de portier een declaratieformulier in mijn handen gedrukt waar ik die bus kan declareren. Dat doe ik dus niet want daar ben ik te eerlijk voor.
Na een kwartier word ik opgehaald door de arts.
"Zeg eens A," vraagt hij.
Ik steek mijn tong uit.
"Dat is toevallig," zegt hij.
"Zojuist kwam er een wielrenner voorbij die net zo'n piercing had als U".'

jaeggi om 21 juni 2005 12:50