« mei 2005 | Main | juli 2005 »

29 juni 2005

nieuwe held

'We leven in een commerciële wereld,' zei Walrath. 'Het enige kenmerk dat we nog gemeenschappelijk hebben, succes en geld. Onze enige maatstaf. Vroeger kon je deugdzaam of gedurfd of uitmuntend zijn. Je kon zelfs je stand ophouden met poëzie - neem Keats, had nooit een cent, is als een gelukkig man gestorven, min of meer. Tegenwoordig gaat het alleen maar om geld.'
Winslow bedacht dat er niets erger was dan een argument waar je achter stond te horen uit de moond van iemand die je niet mocht.

Een nieuwe held: Richard Winslow, dichter, alcoholicus, mislukkeling. Uit de roman Winslow verliefd , geschreven door Kevin Canty, net uitgekomen bij De Harmonie.
We kunnen er weer even tegen.

Posted by jaeggi at 02:54 pm

28 juni 2005

zeer grote stenen bijl

Gisteren schreef Karin Spaink in Het Parool:
'Terwijl de Nederlandse hoofdcommissarissen van politie speculeren over een 'virtuele slotgracht' die om alle grote steden kan worden gelegd - via gezichts- en kentekenherkenning en het volgen van mobiele telefoons moet permanent worden geregistreerd wie de stad in komt of verlaat - maakt Europa plannen om een vergelijkbare slotgracht om alle lidstaten te leggen.'

Vergun het mij mijzelf te citeren, een column van een jaar of anderhalf geleden (het gaat met name om het laatste gedeelte):

Kan iemand mij vertellen of het illegaal is thuis massavernietigingswapens te produceren? Ik bedoel, staat er ergens in de wet dat het produceren van hele grote bommen en granaten verboden is?
Ik vraag dit omdat ik via het internet bezig ben een computer te kopen van een amerikaans merk. Daarbij moet ik een zogenoemde exportverklaring invullen. De meeste vragen kan ik wel zonder uw hulp beantwoorden, maar ik zit een beetje met Question 4: “Wordt het product/worden de producten gebruikt in verband met massavernietigingswapens, dat wil zeggen, in nucleaire toepassingen, rakettechnologie of voor chemische of biologische wapens?”
Een paar jaar geleden zou ik zonder aarzelen ‘misschien’ hebben ingevuld. Vrijheid blijheid nietwaar, en als mijn buurman zijn vensterbank vol hennepplantjes mag zetten, waarom zou ik dan niet thuis een beetje aan raketten mogen knutselen? Maar de tijden zijn veranderd. Als ik nu ‘misschien’ invul kan ik ongetwijfeld fluiten naar mijn computer, en de kans is groot dat ik dezelfde nacht nog van mijn bed word gelicht door een amerikaans swat-team en met een ketting door mijn neus wordt afgevoerd naar de amerikaanse legbatterij voor politieke gevangenen op Guantanamo Bay.
Zouden er echt mensen zijn die zo’n vraag met ‘ja’ beantwoorden? Het lijkt me dat je met zo’n vraag alleen de aller-allerdomste terroristen te pakken krijgt, en die ontploffen meestal tóch vanzelf, zoals de befaamde Palestijnse zelfmoordenaar die voortijdig afging omdat hij weigerde de tijdklok van zijn bom op ‘zionistische’ zomertijd af te stellen.
Bovendien is het enige massavernietigingswapen het andere niet. In het laatste nummer van het tijdschrift Raster las ik een mooi artikel van schrijver/bioloog Tijs Goldschmidt. Hij vertelt over een inheems volk op Papoea Nieuw-Guinea, dat in zijn taal geen woord heeft voor een westerse innovatie als de atoombom. Een westerse onderzoeker gebruikte daarom het equivalent ‘zeer grote stenen bijl’.
Mijn gezond verstand zegt me dat het thuis in elkaar knutselen van een atoombom snel bestraft zal worden door de autoriteiten. Maar mijn gezond verstand vertelt me ook dat de bange autoriteiten mij geen strobreed in de weg zullen leggen als ik morgen op ons erf begin met het uithakken, slijpen en polijsten van een Zeer Grote Stenen Bijl. Hoogstens krijg ik een agent aan de deur vanwege de geluidsoverlast.
Autoriteiten hebben veel om bang voor te zijn. Dat ligt in de aard van de functie. Of het nou hun eigen burgers, buitenlanders of andere autoriteiten zijn, the powers that be vrezen alles. Het liefst zouden ze alle grenzen dichtgooien, een grote plexiglas koepel over hun land bouwen en bij elke telefoon en internetaansluiting een opsporingsambtenaar neerzetten die de vraag stelt: ‘Lijkt u of uw familie, of uw bekenden, of het product/de producten op enige wijze, ook al is het maar een héél klein beetje, op massavernietigingswapens, dat wil zeggen, in nucleaire toepassingen, rakettechnologie of voor chemische of biologische wapens? Eerlijk zeggen hoor!’
Intussen wordt er in een bouwvallig schuurtje in het achterland de laatste hand gelegd aan een Joekel van een Katapult.

Posted by jaeggi at 11:36 pm

Schrijvers op De Parade presenteert: Vrouwkje Tuinman

Vrouwkje Tuinman is al honderd jaar de smaak van de Jordaan.
Nee, wacht even, dat was slagerij Louman. Bovendien woont en werkt Vrouwkje Tuinman al sinds jaar en dag in Utrecht, aan haar succesvolle poëziedebuut Vitrine (2004) en momenteel aan haar eerste roman, Grote acht.
Haar eerste bekendheid kreeg ze met haar prijswinnende recept voor gerookte osseworst, pardon, met het organiseren van literaire evenementen, schrijven van columns, en optredens op festivals en literaire avonden.
Natuurlijk heeft Vrouwkje haar eigen website.
Vrouwkje Tuinman is niet blond en heeft nog nooit met een profpolospeler gepraat. Ze is te zien op De Parade
op 10 juli Den Haag met Boozy
op 17 juli in Utrecht met Alexis de Roode
op 11 augustus Amsterdam met F. Starik

Onderstaand gedicht van Vrouwkje Tuinman is nieuw

8-88

’s Woensdags doen we het toekomstspel.
Een zwarte doos brengt mij elk kwartier
een nieuwe loopbaan. Ik vaar naar de maan,
zoek uranium beweeg mij politiek word
handelaar. Ik studeer en win achter elkaar
harten sterren een formule van succes.
Zestig punten en mijn gezelschap vertrekt.
Wat rest is geld, roem, geluk. Hoe vind
ik voor het eten mezelf daarin terug.

Posted by jaeggi at 02:37 pm

27 juni 2005

gedachte op zondagavond

Harumppff.


Posted by jaeggi at 12:14 am

23 juni 2005

Schrijvers op de Parade presenteert: Ingmar Heytze

Ingmar Heytze is de normaalste man van de wereld. Hij schreef zeven dichtbundels, net als ieder ander, en werd door Vrij Nederland omschreven als ‘sprankelendste liefdesdichter’ – zoals wij allemaal wel eens hebben meegemaakt.
Begin 2005 verscheen zijn zevende dichtbundel Schaduwboekhouding, en op 20 september 2005 verschijnt zijn Scooterdagboek, Weg van de reisangst, waaruit hieronder een voorpublicatie.
Leuk detail voor de entomologen: in het Swahili betekent in-gmar he-ytz-e: ‘mit Käse überbacken’.

vrijdag 10 juni 2005, kilometerstand 790, 1.45 uur
Sinds er een alarm op mijn nieuwe motorscooter zit, heb ik me afgevraagd of ik het ’s nachts zou kunnen horen in mijn slaapkamer. Zoals Van Kooten en De Bie lang geleden al wisten: deze vraag stellen is hem beantwoorden. Het antwoord loeide me om kwart voor twee gisterennacht mijn bed uit. Ja, ik kan het alarm prima horen. Sterker nog, de hele buurt kan meegenieten. Ik vraag me af waarom het voltallige bureau Paardeveld niet eerder ter plekke was dan ik. Mijn scooter staat verdekt opgesteld om de hoek, door enkele gruwelijk zware sloten verbonden met een muuranker van het soort waar ze in Rotterdam oceaanstomers aan bevestigen, en als het alarm afgaat ben ik binnen afzienbare tijd present met een zeer slecht humeur en een honkbalknuppel. Ik wil maar zeggen: doet u verder geen moeite om hem te stelen. Toen ik eenmaal in de kleren en bij mijn scooter was, bleek er iemand zijn blaas te hebben geleegd over het achterste deel van de zitting. Het is waarschijnlijk beter om dit voorval niet aan M. te melden, want die zit altijd achterop.
Op dit soort momenten komt onwillekeurig de spoorzoeker in mij boven. Donderdagnacht: studentenpis. Kwart voor twee: jong studentje, blijkbaar nog niet zo lang in de stad, want onvoldoende ingedronken om de Utrechtse sluitingstijd te halen. Aan een onregelmatig spoor op de grond was goed te zien waarheen de zeiklijster was gevlucht, maar ik was te laat om hem in zijn kraag te vatten. Het urinemonster moet met zijn broek op zijn enkels en zichzelf onderpissend mijn straat uit zijn gevlucht, vermoedelijk met zijn handen op zijn oren als een hedendaagse uitvoering van De Schreeuw van Munch. Verder troost ik me met een zelfbedachte profielschets van de dader. Voor mijn geestesoog staat een scharminkelig bijballetje. Zo’n Unitaslid. Zo’n tweedejaars die nieuwe feuten tijdens de ontgroening dubbel zo hard terugpakt voor zijn eigen vernederingen van vorig jaar. Zo’n armzalig meelopertje dat vermoedelijk pas over vier jaar genoeg moed bij elkaar heeft geraapt om zijn maagdelijkheid te verliezen onder leiding van een medelijdende prostituee aan het Zandpad. Zo’n Kamphuis.

Ingmar Heytze op de Parade:
15 juli, Utrecht
21 juli, Utrecht.



Posted by jaeggi at 09:49 am

De Parade en De Avonden

Het kan niet anders of dit wordt een van de beste dagen van het jaar, voor mij dan: vanavond sta ik voor het eerst van mijn leven op de Parade (in Rotterdam, van 7 tot 11 in de Schrijverstoren) en tegelijkertijd lees ik in De Avonden, mijn favoriete radioprogramma (20.00-23.00 uur, 747 AM) een stukje voor uit mijn Parade-repertoire.
Ik heb nog niet besloten wat dat wordt. Maar als dat vandaag mijn enige probleem blijft zul je mij verder niet horen.
(Misschien lees ik wel dit:)

Er was zo'n zinnetje dat we vroeger vaak gebruikten als we elkaar tegenkwamen: 'En, de Moeder van je Kinderen al gevonden?' Waarop je dan iets terugzei als: 'Nee, maar laatst wel haar borsten voorbij zien komen.'
Ik vond het wel een aardige, melige grap. Het zei iets over de onbereikbaarheid van je idealen, en het wond geen doekjes om de dingen waar het bij mannen eigenlijk om draaide. Ik bleef het zeggen toen verder niemand dat meer deed, maar misschien kwam dat ook omdat ik de allerlaatste was die ging samenwonen.
Mijn vriendin Merel vond het geen leuke grap.
'Stom,' zei ze, en 'Puberaal', wat ze wel van meer dingen van vroeger vond. Maar Merel had én de borsten én de benen van de Moeder van mijn Kinderen zoals ik me die voorstelde, en de grap verdween.
Toen we ongeveer twee jaar samenwoonden vierde de eerste van mijn vrienden zijn veertigste verjaardag. Hij deed er niet kinderachtig over, huurde een populair Grand Café af en nodigde vierhonderd mensen uit. Toen Merel en ik binnenkwamen viel hij mij om de hals en riep: 'En, de Moeder van je Kinderen al gevonden?'
Ik wees op Merel, die een beetje zuur lachte.
Er waren die avond nog veel meer oude vrienden, en pas na een uur of drie vond ik Merel terug, onderuit liggend op een groene leren bank. Ik vroeg of ze het naar haar zin had.
'Ja hoor. Leuke muziek. Maar ik ben een beetje moe. Ik denk dat ik zo naar huis ga.'
'Okee,' zei ik. 'Ik zal de jassen even halen.'
Ze schudde haar hoofd. 'Dat hoeft niet. Blijf jij maar lekker hier.'
'Weet je het zeker?'
Ze nam mijn hoofd in haar handen drukte een warme, trage kus op mijn mond.
'Echt waar. Ik ben doodop, ik ga lekker naar bed. Ga jij maar lol maken. Maar niet naar andere meisjes kijken hoor!'
Een gevoel van geluk verspreidde zich in mijn borst terwijl ik haar nakeek. Ik dronk nog een whisky, en nog een, en danste met een zekere Laura, en toen het feest op zijn hoogtepunt was stond ik met een grote grijns tegen de muur geleund, naast een meisje met een lichaamstemperatuur die zeker tien graden hoger was dan de mijne. Ik voelde me opgetogen, tot alles in staat. Als ik nu bijvoorbeeld naar dit meisje toe wilde leunen en met mijn lippen langs haar wang wilde strijken, dan kon dat gewoon. Ik zag geen bekende gezichten in de buurt, en zelfs áls ze iets zagen, wat dan nog? Wat had het nou helemaal te betekenen dat ik in haar nek fluisterde dat ik haar moest zoenen? Bovendien was het een keurig meisje, die terugfluisterde dat dit echt niet kon, dat ik een vriendin had, en dat ze dat met open mond deed, die daarbij langs mijn mond streek, was niet meer dan een prettige bijkomstigheid van ons gesprek.
Ik geef toe dat het wel op het randje was dat ik toen haar hand pakte en haar meetrok naar de gang, en dat ik haar daar met mijn heupen tegen de muur drukte en mijn handen onder haar T-shirt liet glijden is achteraf ook niet helemaal goed te praten. Maar er zou verder werkelijk niets gebeurd zijn als ze op dat moment niet had gezegd: 'Ik zou nu het liefst met mijn borsten op jouw rug willen liggen.'

(wordt vervolgd)

Posted by jaeggi at 09:29 am

21 juni 2005

Schrijvers en geld

'Het was heel leuk op de Parade,' schrijft mij Ernest van der Kwast. 'Het is hard werken, maar wij zijn na vanavond 43,22 rijker.'
Schrijvers en geld, het blijft een onwennige combinatie.
Als schrijver ben je altijd op zoek naar manieren om geld te verdienen - kijk maar naar Remco Campert. Die treedt nu op in een Postbankreclame, naast Jan Mulder.
Is dat erg?
Niet zo erg als genitale wratten, maar misschien wel jeukverwekkend voor mensen die vinden dat kunstenaars maar van de wind moeten kunnen leven en zich niet bezig moeten houden met trivialiteiten als waar morgenochtend weer de huur van betaald moet worden. Wie het boek Ik heb er slechts één nul af gedaan, brieven aan de legendarische uitgever Geert Lubberhuizen heeft gelezen, weet dat Campert vooral in het begin van zijn carriére erg last van geldproblemen had, en wie zelf ooit echte geldproblemen heeft gehad weet dat je dat de rest van je leven met je meedraagt. Je bent nooit meer immuun voor geld.
Het is geen schande om geld te verdienen, zelfs niet voor schrijvers. Bovendien heeft Campert het leukste tv-hoofd dat ik de afgelopen jaren gezien heb.

Het onderwerp schrijvers en geld heeft al heel wat mooie literatuur opgeleverd. Een van de beste voorbeelden is natuurlijk John Fante. De openingsregels van zijn meesterwerk Ask the dust kent elke Fante-liefhebber - meestal ook geen rijkaards - uit zijn hoofd: 'One night I was sitting on the bed in my hotel room on Bunker Hill, down in the very middle of Los Angeles. It was an important night in my life, because I had to make a decision about the hotel. Either I paid up or I got out: that was what the note said, the note the landlady had put under my door. A great problem, deserving acute attention. I solved it by turning out the lights and going to bed.'

Ik spreek weleens mensen die vinden dat subsidie voor arme schrijvers alleen maar averechts werkt.
'Als je een echte schrijver bent lukt het je ook wel zonder geld van de overheid,' zeggen ze.
Daar is vast wel wat voor te zeggen, maar ik ben toch altijd blij dat ik voor dat soort momenten met vooruitziende blik altijd een paar chopsticks van de afhaalchinees in mijn binnenzak heb, zodat ik mij in een stil hoekje kan afzonderen en met trillende vingers de chopsticks in hele kleine flintertjes kan breken, onder het mompelen van de meest afschuwelijke verwensingen - misschien wat excentriek, maar sociaal gezien een stuk wenselijker dan spreker recht in het gezicht stompen.

Sommige mensen hebben geld. Sommige hebben talent. De combinatie is zeldzaam. Mensen met talent hebben net zo goed geld nodig als mensen zonder geld, want voor talent kun je geen brood kopen.
Hieronder nog een voorbeeld van talent dat geen geld heeft. Ik vond hem op een site, voor geestelijke gezondheidszorg met de treffende naam watisnormaal.
Hij heet Bert Aben. Hij is uitkeringstrekker en schrijver. Het eerste weet hij al. Het tweede nog niet. Ik hoop dat iemand het hem een keer vertelt.

'Vandaag is het zover. Op mijn fiets rijd ik in de vroege morgen naar de keuringsarts. Ik heb geoefend. Al mijn vrienden zeggen dat ik mijn uiterste best moet doen om mijn uitkering te behouden. Ik heb mijn oudste kleren aangetrokken. Ik ben al maanden niet meer naar de kapper geweest en sinds ik de oproep heb, is mijn scheerapparaat niet meer aangeroerd. Ik ben vannacht niet naar bed geweest. Ik moet er als een krant uitzien.
Wat zal de arts allemaal vragen? Wat ik de hele dag doe? Of mijn bezigheden zijn te classificeren als werkzaamheden. Ik heb mijn antwoord al klaar. Al maanden. Ik lig de hele dag op bed en kom er alleen maar uit om te eten en te poepen.
Ik krijg er zin in. Ik zal ze dus eens een poepie laten ruiken. Ik zet mijn verzet een tandje hoger en snuif met genoegen de frisse morgenwind in.
Ik bedenk dat de keuringsarts me zal aansporen om mijn leven anders in te delen. Om niet zoveel te piekeren en mijn hart te laten spreken. Ik zal gedwee knikken dat ik het helemaal met hem eens ben. Als ik de diepgang van de vragen niet kan peilen, zal ik zeggen dat ik barstende hoofdpijn heb en dat ik naar mijn bed verlang. Ik heb lol om mijn eigen genialiteit.
Ik trek de stoute schoenen aan en zet mijn verzet twee tandjes hoger. Ik rijd inmiddels alle fietsers voorbij en kijk telkens om en steek mijn tong uit naar al die halfslapende kantoorgezichten. Leuk hè?
Ik kom royaal op tijd. Ik zet mijn fiets 100 meter voor het pand aan de boom zodat ze niet hoeven te zien dat ik niet met de bus kom. In de hal krijg ik van de portier een declaratieformulier in mijn handen gedrukt waar ik die bus kan declareren. Dat doe ik dus niet want daar ben ik te eerlijk voor.
Na een kwartier word ik opgehaald door de arts.
"Zeg eens A," vraagt hij.
Ik steek mijn tong uit.
"Dat is toevallig," zegt hij.
"Zojuist kwam er een wielrenner voorbij die net zo'n piercing had als U".'

Posted by jaeggi at 12:50 pm

17 juni 2005

Schrijvers op de Parade presenteert: Ernest van der Kwast

Ernest van der Kwast (1981) is een goeie schrijver, maar laat hem niet in de buurt van je vrouw komen. Het laatste wat ik van de mijne hoorde was dat ze samen met hem onderweg was naar Ho‘olaule‘a Island om een zwemvliesverhuurbedrijf te beginnen.
Ernest was een van de ghostwriters van de verrassende islamitische thriller Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken, en blies aldus Yusef el Halal het leven in. Zijn eerste roman heet Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen (Nijgh & Van Ditmar 2005) en is heel goed. Hier een kort stukje daaruit.

'Dit is niet verzonnen: we hebben de novembernacht meegemaakt waarop alle oliebollenkramen uit de grond schieten. Estelle had verteld dat ze vroeger als meisje op weg naar school elk jaar met verbazing naar de plekken had gekeken waar de dag ervoor nog niets te zien was geweest en nu grote kramen stonden. Alsof ze middenin de nacht met honderden tegelijk waren geland. Het had iets magisch.
We hebben in het donker op straat gestaan, wachtend op de twinkelende lichtjes die uit de lucht zouden komen, elkaar vasthoudend tegen de vrieskou. We hebben gebibberd, we hebben tranen in onze ogen gehad. We hebben onze adem gezien.
‘Vannacht komen ze. Vannacht zullen we het wonder meemaken.’
Ons geluk was groter dan alles in de wereld toen we van Anneke, de echtgenote van Teun, twee wit bepoederde warme oliebollen kregen. Teun wilde het eerst niet. Het was half zes in de ochtend, hij had honderdnegentig kilometer gereden.
‘Om negen uur zijn jullie de eerste,’ had hij gezegd.
Anneke is gezwicht voor onze ogen. ‘Kijk dan naar die schaapjes,’ zei ze. ‘Weet je nog…’
Teun keek voor zich uit, meer niet. Hij keek recht voor zich uit. Misschien zoals hij zijn hele leven mensen heeft aangekeken. Estelle moet hem hebben betoverd.'


Ernest op de Parade:
16 juni, Rotterdam (met Tommy Wieringa)
22 juni, Rotterdam (met Wilfried de Jong)
25 juni, Rotterdam (met Ronald Giphart)
7 juli, Den Haag (met Jack Nouws)
4 augustus, Amsterdam (met ...?)

Applaus!

Posted by jaeggi at 09:47 am

15 juni 2005

Schrijvers op de Parade presenteert: Tommy Wieringa

Schrijver Tommy Wieringa leed als kind aan het zeer zeldzame syndroom van Schaffhausen, dat bij één op de anderhalf miljard kinderen voorkomt. Het staat in de volksmond bekend als ‘vochtige brek’. De voornaamste symptomen van vochtige brek zijn een vermogen tot ongeremd fabuleren en een uitgroei van het lichaam tot een zeer mannelijke en imponerende vorm. Deze groei van het lichaam zet zich gedurende het hele leven voort.
Ondanks zijn aandoening deed Tommy Wieringa dapper voort. Hij publiceerde in 2002 de roman Alles over Tristan en in 2005 Joe Speedboot, waarvan literatuurcriticus Max Pam vond dat het maar een rare titel was, die veel lezers zou afschrikken. Het boek is inmiddels in zijn vijfde druk.
Voorjaar 2006 verschijnen Wieringa’s verzamelde reisverhalen, Ik was nooit in Isfahaan.
Tommy Wieringa groeit nog altijd.

Immuunsysteem
Het is niet zo gemakkelijk om te verdwalen in Alexandrië, altijd is er iemand in de buurt die me de weg wijst. Wanneer ik mijn buurman in de tram vraag bij welke halte ik eruit moet voor de Bibliotheca Alexandrina, ontspint zich een palaver tussen vier tot zes mannen die allemaal hun mening laten horen en niet rusten voor er een gemeenschappelijk oordeel is bereikt. Zulke onmiddellijke en overvloedige aandacht is aanvankelijk een beetje ongemakkelijk maar wanneer je je eenmaal laat meedeinen op de stroom van de conversatie, is het heel plezierig. De Arabier ontfermt zich over de vreemdeling met een ernst die erop lijkt te wijzen dat er iets belangrijks op het spel staat, zijn eer misschien, of de deugd van gastvrijheid.
Na twee weken zo’n bejegening te hebben ondergaan, levert de terugkeer in Europa een omgekeerde cultuurschok op, geen schok over het vreemde maar juist over het eigene. Tijdens een tussenstop in Wenen word ik overvallen door de voel- en zichtbare afstand tussen de passagiers op de luchthaven. Hier telt afzijdigheid van de medemens. In duizenden, voor de ander afgesloten persoonlijke domeinen beweegt de Europeaan zich door de vertrekhallen en duty-free paleizen. Zijn wezen ademt autistische afgescheidenheid – zijn gezichtsuitdrukking is in zichzelf gekeerd, zijn lichaamstaal afwerend. Via zijn mobiele telefoon is hij verbonden met werelden die voor de ander niet waarneembaar zijn, achter kranten en tijdschriften neemt hij in stilte deel aan de wereld die hem met de ander verbindt.
In het restaurant waar ik de wachttijd dood, komt een man tegenover me zitten met een bord eten en een glaasje prik op een dienblad. Ik groet en zeg iets als Guten Appetit, waarop hij even opkijkt en zijn blik zonder iets te zeggen weer op zijn maaltijd richt. Zwijgend eet de man zijn schnitzel.
Ik kijk naar het hoogtepunt van persoonlijke autonomie (je kunt ook zeggen: egomane grofheid), maar het is de autonomie van het hek, het prikkeldraad. Er schuilt geen grote gedachte achter, geen krachtige individualiteit of vrijheidsliefde, maar angst en eenzaamheid. Hij is daarbinnen, binnen zijn eigen prikkeldraadversperring, ik ben erbuiten. Ook al delen we dezelfde ruimte, dezelfde tafel, dezelfde zuurstof, hij is immuun voor mijn bestaan.

Tommy Wieringa op de Parade:
16 juni rotterdam
3 juli den haag
22 juli utrecht
4 augustus amsterdam

Meer op de Parade


Posted by jaeggi at 02:38 pm

14 juni 2005

schrijversparade

Ik heb opgetreden in Edinburgh, Singapore, Dusseldorf, Londen, Aldeburgh, Etten-Leur, Damascus, Diyarbakir, Berlijn, Avignon en Alkmaar, op Borneo en Terschelling, maar nog nooit op de Parade.
Daar gaat nu eindelijk verandering in komen. Komend seizoen lees ik voor op het roemruchte rondreizend theaterfestival, op de Schrijverstoren midden op het Paradeterrein.
Dit programma is voor het eerst op de Parade. Het lijkt op de Silent Disco, maar dan anders: je zit in de Schrijverstoren met uitzicht op de Parade, terwijl de schrijver via de koptelefoon gedichten, columns of verhalen in je oor fluistert of juist onder aan de toren staat te schreeuwen. Het programma wisselt per dag en per stad en is een mix van gevestigde namen en veelbelovende debutanten. Er zijn optredens van o.a. Simon Vinkenoog, Kader Abdolah, Ernest van der Kwast, Spinvis, Katinka Polderman, Adriaan Jaeggi, Erik Jan Harmens, Tommy Wieringa, Alfred Schaffer, Meindert Talma, Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze. Na afloop van iedere voordracht worden er boeken verkocht en signeren de auteurs.
Mijn zomer is alweer goed: spannende optredens, nieuwe steden, andere voorstelingen en artiesten zien, liggen in het gras tussen de stukgetrapte plastic roséglaasjes, in de zweefmolen met mijn liefje (in elke stad een ander liefje natuurlijk), zelf poffers bakken, en ’s avonds na sluitingstijd rond het kampvuur met een fles Asbach Uralt en Ellen ten Damme.

Wie speciaal voor mij komt, mijn optredens zijn op
23 juni, in Rotterdam, + Laurens Abbink Spaink
3 juli, Den Haag, + Tommy Wieringa
24 juli, Utrecht + Erik Jan Harmens
29 juli, Amsterdam, + Tommy Wieringa
9 augustus, Amsterdam, met Erik Jan Harmens

De Parade is van 16 t/m 26 juni in het Museumpark Rotterdam
van 1 t/m 10 juli in het Westbroekpark Den Haag
van 15 t/m 24 juli in Park Nieuweroord Utrecht
van 22 juli t/m 14 augustus in het Martin Luther King Park Amsterdam.

Hier vind je het complete programma van de Parade

De komende tijd zullen diverse Parade-schrijvers te gast zijn op dit weblog.

Posted by jaeggi at 12:10 pm

13 juni 2005

enige kenmerkende eigenschappen en natuurlijke habitat van het jasje

Dat mijn vader thuis was wist ik als ik zijn colbertje over een stoel zag hangen. Het rook naar aftershave en werk, naar drukke zorgelijke activiteit, maar als ik er met mijn hand overheen streek voelde het aan als dode huid. Ik krijg nog steeds een onbehaaglijk gevoel als ik colbertjes over stoelen zie hangen, ik kan er niet aan wennen dat mensen hun omhulsel zomaar laten slingeren, zoals slangen doen als hun huid te nauw is geworden.
Ik kocht mijn eerste in de tijd dat ik in de veronderstelling verkeerde dat een vaste baan wel iets voor mij zou zijn. Tientallen sollicitatiebrieven verdwenen na het versturen in een bodemloos gat waaruit nooit zelfs maar een flauwe echo opklonk. In een kledingwinkel met een glanzende parketvloer en vliegtuigjazz op de achtergrond fluisterde ik op een middag tegen een bleke winkelassistent dat ik op zoek was naar een 'colbertje'. Hij sloot abrupt de ogen en maakte een heftige kauwbeweging, alsof hij bij een galadiner een bedorven oester had gekregen.
Hij slikte en zei: 'Meneer is op zoek naar een jásje. Komt u maar mee.' Luttele minuten later was ik in het bezit van mijn eerste jasje, volgens de verkoper een 'keurig tweedje met een subtiel visgraatje'.
Het zal er wel niets mee te maken hebben gehad, maar diezelfde week reageerde voor het eerst iemand op mijn sollicitatie. Het bedrijf KimberleyClarke stuurde me een dik pak bedrijfsinformatie. Het was vooral belangrijk, aldus KimberleyClarke, dat ik me thuis zou voelen in hun bedrijfscultuur: 'Colbertjes uit, elkaar bij de voornaam noemen, in het bedrijfsrestaurant aan tafel zitten met de hoogste baas en een visitekaartje zonder eindeloze titelvermeldingen'. Ik begreep dat het níet dragen van een colbertje minstens evenveel betekende als het wél dragen. Ik kreeg het visioen van tientallen KimberleyClarke werknemers die in de hal bij de portier hun colbertjes afstroopten, terwijl ze elkaar joviaal bij de voornaam riepen.
Het lukte me om aan het werk te komen in een bedrijf zonder bedrijfscultuur. Wel droegen bijna alle mannen jasjes (ik gebruikte het woord colbertje allang niet meer) op hun spijkerbroeken. Enkelen droegen er Mickey Mouse-dassen bij.
Tijdens vergaderingen merkte ik dat mannen altijd in stille worsteling zijn met hun jasjes. Vaak sloeg de achterflap dubbel tussen hun rug en de stoelleuning, zodat het leek of ze een slecht bevestigd rugnummer droegen. Als ze met hun ellebogen op tafel steunden rees in hun nek een bochel op. Als ze na afloop hun papieren bijeenpakten hadden ze een gekreukte rug. En bij lange vergaderingen was er steevast iemand die zei: 'Dames en heren, heeft iemand er bezwaar tegen als wij de jasjes uitdoen?' Waarna men opstond, zich uitrekte en de jasjes over de stoel hing. De aanwezige vrouwen keken intussen zedig naar hun nagels of in hun papieren.
Als ik zelf jasjes droeg merkte ik dat het ongemak niet school in de snit, of in het dragen op zich. Sommige zaten heel comfortabel, maar ik was me er altijd van bewust dát ik er een droeg, wat je nooit hebt bij schoenen of truien. Zelfs als ik er een T-shirt onder aanhad, dacht ik nog voortdurend: hé, ik heb een jasje aan. Er is zeker iets aan de hand.
Dat komt doordat jasjes hun eigen paradox zijn: ze zijn niet bedoeld om gedragen te worden. Een man met een jasje is altijd onderweg naar het moment dat hij het uit kan doen. Tot die tijd schurkt het ongemakkelijk om zijn schouders, want de natuurlijke habitat van het jasje is niet de mannenrug, maar de stoelleuning.

Posted by jaeggi at 01:27 pm

08 juni 2005

mijn vriend hugo

Er zijn schrijvers die juichende recensies krijgen, die literaire prijzen winnen, schrijvers die met torenhoge stapels in de boekhandel liggen, maar het betekent allemaal heel weinig naast het compliment dat ik afgelopen zaterdag kreeg van de schapenboer op de Noordermarkt in Amsterdam, waar ik een onsje lamsham kocht: ‘Ik denk erover mijn nieuwe dekram Hugo te noemen.’

Hugo dook als eerste op in een column in de Volkskrant. Hij is inmiddels mijn beste vriend en heeft me al eens vervangen als columnist. Dat was overigens geen succes: de redactie vond hem óf een lul óf een vervelende corpsbal óf allebei, en een aantal van mijn vriendinnen vroeg of ze Hugo niet een keer konden ontmoeten.
Bij die ene keer zal het dus blijven. Hugo is daar niet rouwig om want, zoals hij zelf zegt: ‘Ik ben meer een NRC-man.’
Hieronder de allereerste column over Hugo. Als hij blijft wie hij is en niet gaat emigreren zit er ooit nog wel eens een boek over hem in. In elk geval is er een dekram naar hem genoemd.


Mijn vriend Hugo is zo gelukkig gescheiden dat de meeste huwelijken er bleekjes bij afsteken. Na elf jaar huwelijk en drie jaar scheiding zijn hij en zijn vrouw nog altijd de beste vrienden. Als zij bijvoorbeeld een weekend met haar nieuwe minnaar naar Antwerpen wil past hij op hun dertienjarige zoon Justus.
Justus wou een blikje Red Bull, maar toen ik dat niet bleek te hebben was hij ook tevreden met een glas cola. Met zijn cola ging hij voor de tv zitten.
‘Is hij al een beetje naar meisjes aan het kijken?’ vroeg ik.
‘O, god, ja,’ zei Hugo hartgrondig. ‘Hij had al een vriendinnetje, Floortje. Leuk kind. Een kop groter, zo eigenwijs als de neten. Floortje at zowat elke dag bij hem en zijn moeder, en huiswerk maken, nou ja, met de tv aan natuurlijk, alles koek en ei. Maar opeens kwam ze niet meer. Ze wilde liever vrienden zijn, kreeg hij per sms te horen. Wij probeerden nog te troosten, maar Justus leek er niet onder te lijden. Wij dachten: hij is toch echt volwassen aan het worden. Maar vorige week werd ik gebeld door de vader van Floortje. Of ik wist dat Justus nog steeds sms-jes naar Floor stuurde. Nee, maar ik begreep het wel. Ze hebben allemaal zo’n mobieltje, en een heel netwerk aan vriendjes die ze elke dag bellen. En sms-jes sturen natuurlijk, want dat is hartstikke handig voor flirten en versieren en uitmaken. Veel veiliger dan iemand echt aanspreken, want je kunt niet uitgelachen worden per sms. Zoiets zei ik tegen die man. Maar het ging hem er ook niet om dát Justus ze stuurde, maar meer om de soort van berichten die het waren. En hij las er een paar voor.’
Hij haalde diep adem, en kuchte, alsof hij iets ging voordragen.
‘Vuile stoepslet,’ zei Hugo. ‘Ga aan de pik van je broertje likken. Je bent een stinkende kankersnol, met je gore hoerenbek.’
Hij keek me niet aan. Het leek net of hij bloosde.
‘Dertien,’ zei hij. ‘Hij is net dertien geworden. Dat mobieltje heb ik hem voor zijn verjaardag gegeven. Toen ik vroeg waarom hij dat soort teksten verstuurde liet hij me zien wat voor berichten Floortje terugstuurde. Die had hij allemaal bewaard, omdat hij nog verliefd op haar was. Als je het niet erg vindt laat ik die teksten even zitten. Laat ik het zo zeggen: Floortje was ook niet op haar mondje gevallen.’
Ik knikte. Hugo zei: ‘Eerst schrik je ervan, maar dan realiseer je je dat al die kinderen zo praten, onder elkaar. En sms-sen is veel directer dan praten, omdat je niet op je woorden hoeft te letten. Alles wordt meteen gezegd. Het is eigenlijk meer een vorm van gedachtenlezen.’
Hij lachte, niet van harte.
‘Weet je dat ik er jaloers op ben? Ik wou dat ik het kon, zo direct contact hebben. Ik zou hem best een paar keer per dag willen laten weten dat ik aan hem denk, zonder me af te vragen of dat verstandig is, en of ik die gevoelens wel bloot moet geven.’
Hij keek met een mistige blik naar de jongen op de bank, die gebiologeerd in het schermpje van zijn gsm zat te turen.
‘Maar hij wil me zijn nummer niet geven.’

Posted by jaeggi at 10:48 am

slaaplied


Je wachtte op dromen van melk en van snoep
Op je rug in een bed dat te groot voor je was.
Om je hoofdkussen dromde een schimmige troep
Half bekenden: heel scherpe vogels van glas

Een slang zonder ogen, een vijfpotig schaap
En een huilende aap hurkten ’s nachts bij je bed
En een monster dat kweelde van slaap, kindje, slaap.
Je lakens omwonden je lijf als een net.

Als je riep, en je stem in de nacht hoorde drijven
Was er niemand die kwam, en die uitleggen kon
Waarom je moet slapen en niet wakker mag blijven
Een die bij je bleef onder de kwijnende zon.

Je ontgroeide dat bed. En nu zul je beweren
Dat je niets zo erg mist als die jaren van rust
Toen je slapen kon zonder de slaap te begeren
Onbekend met de dromen van kennis, en lust.


Posted by jaeggi at 09:59 am