« mijn vriend hugo | Main | schrijversparade »

13 juni 2005

enige kenmerkende eigenschappen en natuurlijke habitat van het jasje

Dat mijn vader thuis was wist ik als ik zijn colbertje over een stoel zag hangen. Het rook naar aftershave en werk, naar drukke zorgelijke activiteit, maar als ik er met mijn hand overheen streek voelde het aan als dode huid. Ik krijg nog steeds een onbehaaglijk gevoel als ik colbertjes over stoelen zie hangen, ik kan er niet aan wennen dat mensen hun omhulsel zomaar laten slingeren, zoals slangen doen als hun huid te nauw is geworden.
Ik kocht mijn eerste in de tijd dat ik in de veronderstelling verkeerde dat een vaste baan wel iets voor mij zou zijn. Tientallen sollicitatiebrieven verdwenen na het versturen in een bodemloos gat waaruit nooit zelfs maar een flauwe echo opklonk. In een kledingwinkel met een glanzende parketvloer en vliegtuigjazz op de achtergrond fluisterde ik op een middag tegen een bleke winkelassistent dat ik op zoek was naar een 'colbertje'. Hij sloot abrupt de ogen en maakte een heftige kauwbeweging, alsof hij bij een galadiner een bedorven oester had gekregen.
Hij slikte en zei: 'Meneer is op zoek naar een jásje. Komt u maar mee.' Luttele minuten later was ik in het bezit van mijn eerste jasje, volgens de verkoper een 'keurig tweedje met een subtiel visgraatje'.
Het zal er wel niets mee te maken hebben gehad, maar diezelfde week reageerde voor het eerst iemand op mijn sollicitatie. Het bedrijf KimberleyClarke stuurde me een dik pak bedrijfsinformatie. Het was vooral belangrijk, aldus KimberleyClarke, dat ik me thuis zou voelen in hun bedrijfscultuur: 'Colbertjes uit, elkaar bij de voornaam noemen, in het bedrijfsrestaurant aan tafel zitten met de hoogste baas en een visitekaartje zonder eindeloze titelvermeldingen'. Ik begreep dat het níet dragen van een colbertje minstens evenveel betekende als het wél dragen. Ik kreeg het visioen van tientallen KimberleyClarke werknemers die in de hal bij de portier hun colbertjes afstroopten, terwijl ze elkaar joviaal bij de voornaam riepen.
Het lukte me om aan het werk te komen in een bedrijf zonder bedrijfscultuur. Wel droegen bijna alle mannen jasjes (ik gebruikte het woord colbertje allang niet meer) op hun spijkerbroeken. Enkelen droegen er Mickey Mouse-dassen bij.
Tijdens vergaderingen merkte ik dat mannen altijd in stille worsteling zijn met hun jasjes. Vaak sloeg de achterflap dubbel tussen hun rug en de stoelleuning, zodat het leek of ze een slecht bevestigd rugnummer droegen. Als ze met hun ellebogen op tafel steunden rees in hun nek een bochel op. Als ze na afloop hun papieren bijeenpakten hadden ze een gekreukte rug. En bij lange vergaderingen was er steevast iemand die zei: 'Dames en heren, heeft iemand er bezwaar tegen als wij de jasjes uitdoen?' Waarna men opstond, zich uitrekte en de jasjes over de stoel hing. De aanwezige vrouwen keken intussen zedig naar hun nagels of in hun papieren.
Als ik zelf jasjes droeg merkte ik dat het ongemak niet school in de snit, of in het dragen op zich. Sommige zaten heel comfortabel, maar ik was me er altijd van bewust dát ik er een droeg, wat je nooit hebt bij schoenen of truien. Zelfs als ik er een T-shirt onder aanhad, dacht ik nog voortdurend: hé, ik heb een jasje aan. Er is zeker iets aan de hand.
Dat komt doordat jasjes hun eigen paradox zijn: ze zijn niet bedoeld om gedragen te worden. Een man met een jasje is altijd onderweg naar het moment dat hij het uit kan doen. Tot die tijd schurkt het ongemakkelijk om zijn schouders, want de natuurlijke habitat van het jasje is niet de mannenrug, maar de stoelleuning.

jaeggi om 13 juni 2005 13:27