« april 2005 | Main | juni 2005 »

25 mei 2005

omega 9

Wat eet je daar?’
‘Broodje makreel.’
‘Weet je niet dat dat helemaal volzit met meervoudig onverzadigd vet? Wil je zo graag een hartverzakking? Leg weg, man.’
‘Onverzadigd vet is goed voor je.’
‘Welnee, idioot. Hoe vaak moet ik het nou nog uitleggen? Je hebt meervoudig en enkelvoudig onverzadigd vet. Enkelvoudig is goed voor je, als je er niet teveel van eet.’
‘En meervoudig onverzadigd?’
‘Ook goed voor je.’
‘En net zeg je dat het slecht is!’
‘Ja, nee, alleen Omega 9 vetzuren zijn heel slecht. Omega 3 en Omega 6, die zitten in olie en zo…’
‘Olijfolie.’
‘Nee, daar juist niet in. Olijfolie is van de enkelvoudige onverzadigde vetzuren.’
‘Slechte.’
‘Nee, juist goed. Of in elk geval beter dan meervoudige onverzadigde vetzuren.’
‘Zoals makreel.’
‘Nee. Ja! Precies! Dat wil zeggen: meervoudig onverzadigde Omega 3 vetzuren. Wat kijk je nou raar naar me?’
‘Ik voel ineens nogal een hoofdpijn opkomen.’
‘Waarschijnlijk een gebrek aan Omega 6. Loop even mee naar mijn huis, krijg je een kopje saffloer-olie.’
‘Ik zie ook ineens allemaal regenbogen om alles heen.’
‘Luister, het is echt niet zo moeilijk. Ik heb een paar ezelsbruggetjes voor je. Verzadigde vetten – luister je? – spel je met de V van… Nou? Van Vijand. Vvvverzadigd vvvet is je vijand. Onthou dat. Dus vlees, eieren, kaas, boter, allemaal dierlijke vvvvetten die niet goed voor je zijn.’
‘En makreel…’
‘Nou, nee.’
‘Makreel is toch ook een dier?’
‘Ja, maar niet een landdier.’
‘Dus alleen vet van landdieren is slecht.’
‘Eh…’
‘Want dat zeg je dus net.’
‘Waar was ik? Dan heb je dus ook nog onverzadigd vet, en dat is goed. Behalve soms.’
‘En hoe hou ik die twee uit mekaar?’
‘O, daar is een hele simpele truc voor: verzadigd vet…’
‘Dat slecht is…’
‘Precies, dat wordt hard bij kamertemperatuur. En onverzadigd vet blijft dan vloeibaar.’
‘Hoe warm is het bij jou thuis?’
‘Hoezo? Heb je het koud?’
‘Nee, maar bij mij thuis staat de thermostaat meestal op een graad of zesentwintig.’
‘Só!’
‘Ja, altijd die kouwe handjes hè. En bij die temperatuur, als je een pakje boter op het aanrecht laat liggen is het ’s avonds soep.’
‘Je moet ook geen boter buiten de ijskast bewaren.’
‘Maar jij beweert dat dat dan niet vloeibaar zou worden. Omdat het verzadigd is. En trouwens: eieren zijn óók vloeibaar! Dus dat klopt niet, die ezelsbrug van jou.’
‘Zit je me nou te fokken?’
‘Ik wil alleen maar weten wat ik veilig kan eten, qua vet.’
‘Nou, makreel bijvoorbeeld.’
‘En je zegt net…’
'Ik leg het je nog één keer uit, maar dat is echt de laatste keer.'

Posted by jaeggi at 10:26 am

23 mei 2005

schulploon


hier mag over gestemd worden

ik ben er niet en bijgevolg
wordt er dwars door me heengelopen
onvoorstelbaar het lawaai, dat brood
de loyaliteit per seconde
bondgenootschappen voor een dag,
een uur, afgesloten met kapotte kleren

nooit meer naar huis
nooit meer naar huis willen
nooit meer naar huis komen want daar ben jij

jij hoort bij mij sinds ik tanden kreeg
ik lach erbij en heb geen pijn

schattend schop ik je facie in
zwemelend duw ik je omver

eindelijk gaan de wonden open
& komen de herten in opstand.

XXX kusjes
XXX gekapseisde veerboten
XXX tropische dagen dit jaar

Posted by jaeggi at 10:33 pm

20 mei 2005

stervend spuien ze

U dacht dat u een moeilijk leven had? Lees dit even, het natuurdagboek van Henk van Halm uit Trouw van eergisteren, over het korte en brute leven van de vlieghaft: 'Direct na de paring vallen de mannetjes zieltogend op het water, waar ze door vissen worden opgewacht. Ook de vrouwtjes vallen neer en als ze de aanvallen van vissen overleven, spuien ze stervend hun bevruchte eitjes.

En als u nu nog niet zit te snikken achter uw bureau, hier de genadeklap: 'In die korte orgie eten de eendagsvliegen niet. Ze zouden het niet eens kunnen, want hun monddelen zijn verkommerd.'

Dank, Henk van Halm, voor deze troostende woorden (want niets biedt meer troost dan andermans ellende), en verder: Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja, ja kom er eens om, Gij weet waarom het is, ik niet. Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?


Posted by jaeggi at 11:28 am

17 mei 2005

alle malen zal ik wenen

De afgelopen weken werden te pas en te onpas de beroemde regels van Leo Vroman geciteerd: ‘Kom vanavond met verhalen/ hoe de oorlog is verdwenen/ en herhaal ze honderd malen/ alle malen zal ik wenen.’ Het valt te vrezen dat in de komende jaren het hele werk van Vroman teruggebracht zal worden tot deze vier regels; kort geleden was er al een betaalde gek in de krant die durfde beweren dat Vroman eigenlijk maar twee bijzondere gedichten heeft geschreven. Dat zul je altijd zien: de mensen kunnen maar twee dingen onthouden en daarom vergeten ze al snel de rest en uiteindelijk vergeten ze dat er nog een rest was.
Het gedicht Vrede van Leo Vroman bestaat niet alleen uit die vier regels. Het is veel langer, en veel beter, en het betekent veel meer. Geen mens die het uit zijn hoofd kent, ook al zegt het gedicht alles over de oorlog wat er te zeggen valt.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

De vier meest bekende regels van dit gedicht zijn bedrieglijk. Veel mensen lezen er iets geruststellends in: wij rouwen om de oorlog, die oude, wrede geschiedenis die gelukkig ver achter ons ligt. Maar wie de rest van het gedicht leest, begrijpt dat Vroman iets heel anders wil zeggen: de oorlog is nooit voorbij. De mensen die hem meegemaakt hebben zullen hem altijd met zich meedragen, en de mensen die hem niet meegemaakt hebben, de mensen van een nieuwe eeuw, vermoeden niet dat ze elk moment overvallen kunnen worden:

Nadat eensklaps, midden door een huis
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen

Het steeds weer herhalen van die laatste vier bekende regels is niet alleen een belediging voor de dichter (als hij alleen die vier regels had bedoeld had hij de rest wel weggelaten), maar het werkt ook averechts. Als wij de oorlog willen herdenken moeten wij niet selectief zijn in het herinneren. Wie alleen die vier regels leest, krijgt een geruststellende, rijmende boodschap: dat het vreselijk was, maar ver achter ons ligt. Maar wie het hele gedicht leest weet dat de oorlog in onszelf huist en elk moment naar buiten kan breken, en dat de kans daarop vergroot wordt door een selectief geheugen: alleen de dingen onthouden die je wilt, of kunt, en de moeite niet doen om de genuanceerder, ingewikkelder boodschap te lezen, in je op te nemen, te onthouden.
Bij alle herdenkingen werd er de afgelopen weken op gehamerd: wij mogen niet vergeten. Maar als wij maar vier regels kunnen onthouden van het mooiste en belangrijkste gedicht dat in Nederland over de oorlog geschreven is, dan moet de conclusie luiden: vergeten is het enige waar wij echt goed in zijn.

(NB Het zou makkelijk zijn om hier het hele gedicht te geven, maar ik vind dat u maar naar de boekhandel moet voor dit boek, Leo Vroman, Het laatste heelal, Querido, 15,95)


Posted by jaeggi at 04:07 pm

I.M. Tristan Egolf (1971 - 2005)

Tristan Egolf was zo'n schrijver waar je bang voor bent. In de trein van Amsterdam naar Den Haag, onderweg naar Crossing Border, ergens in de vorige eeuw, zat hij de hele reis diep weggedoken in zijn jas onder het genadeloze licht in de treincoupe. Af en toe klonk er wat gesnuf uit de jas, en als je dan keek keken er waterige kraaloogjes terug. Hij was niet gelukkig, die jongen, en hij zou het ook nooit worden, maar hij had intussen wel een roman van bijna duizend pagina's op zijn naam, Lord of the Barnyard, die net in het Nederlands vertaald was, en hij was een van de grote ontdekkingen van dat jaar, en we zouden nog veel van hem horen, zo werd mij verzekerd door zijn Nederlandse uitgever, Oscar van Gelderen, die ook in de trein zat, onder dat onverdraagzame licht waarin iedereen er veertig jaar ouder uitziet.
Over Egolfs optreden schreef ik een paar dagen later een verslag in de Groene Amsterdammer: ‘Egolf, een piepjonge (26) Amerikaanse schrijver, een moroos kijkende jongeman die vanwege een hardnekkige verkoudheid zijn bloedwarme parka gedurende het hele optreden aanhield, las op machinegeweersnelheid een scéne voor uit zijn debuut Heer onder het gepeupel. Zijn voorlezen was uit theatraal oogpunt bekeken een aanfluiting; elke regisseur zou zich de haren uit het hoofd getrokken hebben bij zo'n gebrek aan podiumpresentatie, maar niettemin zat het publiek aan zijn stoel genageld door de vijftien minuten durende woordenstroom die de zaal in golfde, het verslag van een auto-ongeluk gevolgd door een ouderwetse lynchpartij. Een of twee keer, als de absurditeit van het alles tot hem doordrong, zag men Egolf kort grinniken om eigen woorden, maar verder kende hij geen genade, en vijftien minuten lang waagde niemand in de zaal het om op te staan. Ik weet niet of Egolf een groot schrijver is, bij eerste lezing maakte zijn boek de indruk geschreven te zijn door J.J. Voskuil op amfetaminen, maar hij weet in elk geval wat je moet doen om een publiek vast te houden: tanden erin en niet meer loslaten.’ Wat kunnen je eigen stukjes, dat toontje, die zogenaamde geestigheid, toch een marteling zijn.
Gisteren las ik op een website dat Tristan Egolf zelfmoord heeft gepleegd, op 7 mei jongstleden – moederdag. ‘This is no joke’, schrijft de website, en dat is belachelijk maar ook wel begrijpelijk. Je denkt immers altijd eerst aan een grap, voor het tot je doordringt dat het echt is.
Er wordt niet verteld waarom Egolf zelfmoord pleegde; hij had net zijn nieuwe roman af, Kornwolf, was sinds kort zanger van de band Doomed To Obscurity, en hij had een dochter, Orla Story. Alles om voor te leven, zou je denken. Maar er drukte iets zwaars op zijn schouders, dat wist je direct als je hem zag, iets dat hem zo’n verschrikkelijk goede schrijver maakte, maar kennelijk is het te zwaar geworden voor hij zichzelf ervan kon verlossen. ‘The demons finally caught up with him,’ schrijft zijn website, zo’n formulering van mensen die het ook niet meer weten.
Tristan Egolf was zo'n schrijver waar je bang voor bent, omdat je aan kunt zien dat hij allang bereikt heeft wat jij misschien nooit zult bereiken, en omdat hem dat werkelijk niets kan schelen.

Posted by jaeggi at 03:40 pm

16 mei 2005

de interlokale koningin

Het is tweede Pinksterdag, ik zit thuis achter mijn bureau, buiten staan duizenden mensen in de file. Dat zou je een opwekkende gedachte kunnen vinden. Vandaag niet.
Het wordt onze dood nog eens. Dat dacht ik ook al toen ik dit stuk schreef.

Ik werkte vroeger voor een geweldige man, de uitgever Thomas Rap. Hij is alweer jaren dood, maar ik denk er nog wel eens aan hoe hij op warme zomermiddagen uit het raam staarde, naar alle mensen die buiten mochten lopen. Omdat er nu eenmaal gewerkt moest worden vertelde hij ons dan maar verhalen over hoe hij vroeger op zulke dagen gewoon het huis uit liep en in de auto met open dak in één ruk naar Zuid-Frankrijk reed.
Tijdens onze vorige vakantie besloten wij, in de geest van Thomas, een stukje van de Autoroute du Sud af te leggen met het dak eraf.
We haalden ternauwernood het volgende pompstation. Onze chauffeur voelde zijn ogen branden, ik had jeuk over mijn hele lichaam en de twee achterin zaten te niezen en klaagden over keelpijn. Ik zwoer voor de zoveelste keer dat dit echt de laatste keer was dat ik met de auto op vakantie ging. Met de trein kom ik tenminste niet doodziek op mijn vakantiebestemming aan. De rest van de vakantie heb ik elke voorbijkomende automobilist die de landelijke stilte verbrak vurig vervloekt – behalve natuurlijk onze eigen chauffeur, want we moesten nog naar huis.
Dat is de tragiek van de autohater: je wilt niet maar je moet wel. Ik heb geen eigen auto. Voor de langere afstanden ben ik afhankelijk van de goedertierenheid van bevriende automobilisten, die me mee laten rijden als ik vooraf beloof mijn mond te houden over vervuiling, lawaai en de auto in het algemeen.
Na een kwartier staan we in de file. Omdat ik niks mag zeggen kijk ik om me heen. Voor ons en achter ons staan honderden roerloze auto’s stationair gif uit te stoten. Ik voel me iemand die lekker in bad ligt, dan komt er iemand binnen die zijn gulp opendoet en in mijn badwater begint te plassen.
In zo’n file denk ik vaak aan het verhaal ‘De Interlokale Koningin’ van de Amerikaanse cultschrijver R.A. Lafferty. Het is zo’n ‘wat als…’ verhaal, waarin de geschiedenis op een cruciaal moment net iets anders is gelopen. Hier is niet de auto maar de tram het vervoermiddel van de massa’s geworden, omdat iemand op het moment dat de rol van het paard is uitgespeeld, en er behoefte is aan een nieuw vervoermiddel, heeft bedacht: ‘De vriendelijkste man ter wereld wordt ongelooflijk arrogant als hij een automobiel bestuurt. (-) Ik zeg je dat de mensheid tot volslagen zelfzuchtigheid zal worden aangezet als het besturen van automobielen gemeengoed wordt.’ En dus zijn auto’s in Lafferty’s verhaal verboden, en is de wereld niet bedekt met asfalt, maar met een ragfijn net van blinkende tramsporen, dat de passagiers tussen de bloeiende tuintjes en karpervijvers door naar hun bestemming voert, efficiënt maar zonder haast. Af en toe wordt er een illegale automobilist ontdekt, opgejaagd en afgemaakt. Vanuit zijn brandende wrak krijst hij: ‘Een man in een automobiel is duizend man te voet waard! Je bent nooit half gestikt van heerlijke haat en vervoering terwijl je de hele wereld hoonde vanuit je verende middelpunt van het heelal!’
Inmiddels is de file bijna opgelost. Langzaam komt alles weer op gang, en een voor een komen ze langs mijn raam glijden, alle verende middelpunten van het heelal.

Posted by jaeggi at 03:28 pm

13 mei 2005

zelfrecensie

En zo is er vrijwel ongemerkt weer een boek van je uitgekomen – of eigenlijk van de schrijver Diverse Auteurs, want onder die naam staat het in de boekhandel, Diverse Auteurs: De Volkskeuken.
Ik beschouwde dat aanvankelijk als een zegen: Diverse Auteurs leek me net zo’n bruikbare schuilnaam als Alan Smithee, voor regisseurs die bij nader inzien hun naam niet op de rol van een gemaakte film willen hebben. Ik zag namelijk helemaal niks in een Volkskrant kookboek. Verzamelde recepten uit de Volkskrant, wie zit daar op te wachten? Mensen die een recept goed vinden knippen dat zelf wel uit en hangen het op de koelkastdeur, daar moet je niet tussen gaan zitten.
Ik lees de Volkskeuken weliswaar elke dag, de ene keer grinnikend, de andere keer hoofdschuddend om de slechte smaak van een collega-Volkskok – maar om dat allemaal weer terug te lezen leek me een bezoeking. Niet iets waar ik mijn naam aan wilde verbinden.
Maar ik heb het boek dus eergisteren in één ruk uitgelezen, wat tamelijk merkwaardig is, want een kookboek is geen roman. Maar de stukjes blijken net zo houdbaar als een pot pekelcitroenen, en het boek ziet er schitterend uit.
Dat laatste is vooral te danken aan vormgeefster Aleid Bos. Ik ken haar niet, maar hoe goed ze is zie je aan de even effectieve als eenvoudige oplossing die ze heeft gevonden voor het eeuwige kookboekenprobleem: hoe scheid je het verhaaltje, het recept en de ingrediënten van elkaar. Dit is echt niet zo makkelijk als het lijkt: er bestaan talloze kookboeken met schitterende foto’s van bedauwde vijgen en flamboyante perziken, maar intussen zoek je je een ongeluk naar het lijstje van comestibelen.
Over de recepten zelf, de bestaansreden van dit boek, kan ik weinig zeggen. Ik moet bekennen dat ik zelden een recept van een collega-volkskok nakook. En u moet ook niet denken, zoals sommige Volkskrantlezers, dat wij elke avond gezellig met zijn allen het recept van de dag uitproberen. Dat is een vuige leugen, in de wereld gebracht door de redactie van de Volkskrant.
In werkelijkheid koken Onno Kleyn, Sylvia Witteman, Pay-Uun Hiu, Nanda Troost, Adriaan de Boer, Henk Muller en ik maar vijf dagen per week met elkaar in de Volkskeuken. In het weekend eten wij gewoon thuis. Afhaal.

Posted by jaeggi at 11:16 am

08 mei 2005

hoe ik eruitzie (door de ogen van 1 vrouw)

Hele mooie foto's staan op de versplinternieuwde site van Tessa Posthuma de Boer.
Vooral haar portretten vnd ik erg mooi, maar goed, daar sta ik zelf bij.
Je kunt mij dus voortaan als achtergrond gebruiken.

Posted by jaeggi at 02:08 pm

Wat ik kost

Kunnen jullie je nog het concert van Marco Borsato herinneren? 27 april dit jaar, in Alkmaar, op de oude paardenrenbaan? 60.000 mensen kwamen er, en wij stonden in het voorprogramma, met de band Naar Tevredenheid en de Hipvergrijp Hoornsectie (die traden ook op op het Bal der Geweigerden).
Het management van Marco had natuurlijk gezegd dat het een grote eer was, en goed voor onze PR, maar onze manager hield haar poot stijf: we moesten gewoon poen hebben. Marco zelf deed het toch ook niet voor niks?
Dus we kregen onze normale gage. Daar heeft de organisatie nog een hoop problemen mee gekregen, stond gisteren in de krant. Maar dan weten jullie in elk geval wat wij kosten, als iemand ons een keer wil boeken met de band.

Alkmaar komt 182.000 euro tekort door concert Borsato
De gemeente Alkmaar heeft gisteren, woensdag 27 april, bekend gemaakt dat het "gratis" concert van Marco Borsato, op 9 oktober vorig jaar, heeft gezorgd voor een tekort van 182.000 euro. Het optreden kostte in totaal 740.000 euro, maar leverde slechts 458.000 euro op. Voor het optreden moesten Alkmaarders 7,50 euro betalen, om de kosten te dekken. Dat bleek echter onvoldoende voor de vergoeding van onder meer beveiliging en podiumopbouw. Omdat de feestelijkheden in de jubilerende stad totaal 100.000 minder kostten dan vooraf begroot was, is het gat niet 282.000 euro, maar 182.000 euro.

Posted by jaeggi at 01:57 pm

06 mei 2005

eilandvrees

Tegenwoordig is de gemiddelde leeftijd voor je eerste keer gedaald naar dertien, veertien jaar, maar ik moest tot mijn zeventiende wachten voor ik zonder mijn ouders op vakantie kon. Dat was geheel te wijten aan de houding van mijn ouders, die het onderwerp vakantie zorgvuldig vermeden tot een dag voor vertrek, en dan aan de ontbijttafel met onschuldige gezichten vroegen: ‘Trouwens, ga je nog mee naar Juan Les Pins dit jaar?’ Terwijl ze heel goed wisten dat ik tot moment geen enkele gedachte aan de vakantie had gewijd, en dus kon kiezen tussen twee weken thuis in Nederland uit de diepvriezer eten, of in een airconditioned auto naar Juan les Pins worden gereden en daar voor pampus onder de palmen liggen.
De reden dat ik op mijn 17e wel uitgebreide voorbereidingen trof voor een vakantie heette Evelien. Ik had niets met haar gemeen, behalve vijf uur Engels per week en een lichaamslengte die het voor ons onmogelijk maakte bij de groep te horen die zich elke dag na school in café de Huzaar verzamelde. We werden er getolereerd – mensen langer dan één meter tachtig worden zelden openlijk afgewezen – maar kwamen altijd bij elkaar aan een tafeltje terecht. Daar ondekten we dat we nog meer gemeen hadden: ouders en hels saaie vakanties. Zo werd het plan geboren.
Mijn moeder klonk verbaasd toen ik haar van het plan vertelde – zoveel initiatief had ik niet meer getoond sinds ik als kind van de zoldertrap was gedonderd – maar informeerde welwillend: ‘En wat is dat dan voor meisje?’ Over die vraag moest ik lang nadenken. Mijn moeder was inmiddels buiten de auto aan het wassen toen het tot mij doordrong dat de reis met Evelien niet alleen een ontsnapping aan mijn ouders betekende, maar ook een uitgelezen gelegenheid om meer over het raadsel vrouw te weten te komen, zoals hoe ze er naakt uitzagen. Ik had ooit gelezen over het eiland Ile de France, waar naaktlopen zo niet verplicht, dan toch de gewoonste zaak van de wereld was. Toen Eveline tijdens een van onze voorbesprekingen zei dat ze per se naar Avignon wilde, zei ik achteloos: ‘Ok, maar dan gaan we daarna naar Marseille. Nemen we van daar de boot naar Ile de France. Da’s een mooi eiland.’
Eveliens mond viel open. Het was de eerste keer dat ik indruk op iemand maakte. Het gevoel beviel me enorm. Tijdens de reis, in met rugzakken en Australiërs volgeplempte treincoupé’s, verliet dat overwinnaarsgevoel me niet, en toen we uiteindelijk op de boot naar Ile de France stonden, met onze haren in de wind, en Evelien tegen me aan kwam staan – in Avignon hadden we een hotelkamer gedeeld, om geld te sparen, en er was niets gebeurd, maar we hadden wel ‘tegen elkaar aan gelegen’ zoals meisjes dat altijd graag hebben – voelde ik me voor het eerst een man.
De mannen die op de kade onze rugzakken aanpakten hadden kleren aan, maar toen we het dorp inliepen kwamen we de eerste naaktloper tegen. Evelien keek verbaasd, maar ik zei: ‘O. dat is hier heel gewoon. Frankrijk hè.’ Ze knikte schichtig. Ook in het hotel leek ze zich niet op haar gemak te voelen.
‘Je hoeft niet per se je kleren uit te trekken,’ zei ik sussend. ‘Ze zijn hier heel…’
‘Dat is het niet,’ snikte ze. ‘Ik dacht dat ik het wel aankon, maar… Het is te erg. Ik wil eraf. Ik wil eraf!’
Het bleek dat Evelien leed aan een zeldzame vorm van eilandvrees. Er schijnen maar dertig mensen op de hele wereld te zijn die het hebben.
Dat de laatste boot naar het vasteland al vertrokken was toen wij rennend weer bij de haven kwamen maakte de zaken er niet beter op. Ze was woedend op mij, omdat het allemaal mijn schuld bleek. Snikkend sloot zij zich op in de hotelkamer. Er bleek geen andere kamer vrij. Bovendien was mijn geld op. Ik moest mijn toevlucht maar op het strand zoeken.
Die nacht deed ik geen oog dicht, door de harde kiezels in mijn rug en de gedachten aan Evelien die nu alleen op de kamer lag, bloot en boos tussen de kille lakens.
Een keer werd ik uit een onrustige sluimer gewekt door een vriendelijke besnorde man die met gebarentaal aangaf dat hij het geen enkel probleem vond om mij te pijpen. Ik wees het aanbod af. Wel accepteerde ik een sigaret, die we samen oprookten, terwijl we somber naar de halfslachtige branding staarden.

Posted by jaeggi at 10:45 am

02 mei 2005

dagboek van een teleurgesteld man

Ik kan geen dagboek schrijven (zie de allereerste of -tweede aantekening in dit weblog). Misschien daarom is Dagboek van een teleurgesteld man van W.N.P. Barbellion een van mijn favoriete boeken. Ik schreef er ooit een artikel over, en daar moest ik weer aan denken omdat ik in een ander boek (De kunst van het lezen, Vladimir Nabokov over Anton Tsjechov) las: 'Tsjechov's boeken zijn droevige boeken voor humoristische mensen, dat wil zeggen: alleen een lezer met gevoel voor humor zal hun droefheid echt kunnen waarderen.'
Bij mijn weten is dat het kostbaarste bezit dat je als schrijver kunt hebben: lezers met gevoel voor humor die je droefheid kunnen waarderen.
Ik hoop natuurlijk dat iedereen na het lezen van dit stuk op zoek gaat naar Dagboek van een teleurgesteld man. Dat zal nog niet meevallen: het is ooit in vertaling uitgegeven als Privé-domein, maar allang uitverkocht.
Snor het op in antiquariaten. Het is ook nog verkrijgbaar in Penguin-uitgave. U zult er geen spijt van hebben.

Wij komen alleen ter wereld, als wij moeten sterven is er niemand die ons vergezelt, in de slaap zijn wij alleen en velen van ons brengen ook als zij waken het grootste deel van hun leven door in de afwezigheid van anderen - dus waarom is egoïsme zo'n verfoeide eigenschap? Als wij ons leven alleen moeten leiden, waarom zouden wij dan niet de volle aandacht aan onszelf mogen schenken?
De wereld die wij bewonen geeft niets om ons. Wat daarbuiten is heeft geen weet van ons bestaan, behalve op de momenten dat wij een bedreiging of een prooi vormen. Elk levend wezen bestaat enkel bij de gratie van het eigenbelang, het is eten of gegeten worden, en toch wordt ons van jongs af aan voorgehouden dat het van intelligentie en beschaving getuigt om anderen als eerste te laten opscheppen als de pannen op tafel komen. De mens schept er nu eenmaal eer in om zich van de dieren te onderscheiden op vele manieren, en één ervan is het welzijn van andere wezens te kunnen stellen boven het eigen. Hoe tegennatuurlijk ook - goede oude Moeder Natuur zou korte metten maken met een wezen dat alsmaar anderen de voorrang gaf -, wij verkiezen het onze beleefdheid en belangstelling voor anderen te zien als teken van beschaving.
De wereldliteratuur krioelt daarom van de opofferingsgezinde helden, van queestegangers, kruisridders, barmhartige Samaritanen, en zelfverloochenende heiligen. De grootste helden zijn zij die geen beloning verlangen, geen lof of eer voor hun daden. Het zijn de deemoedigen die de aarde zullen beërven, volgens de Bijbel. Over de egoïsten word niet gesproken, maar voor hen is ongetwijfeld een speciale kwelling uitgedacht, in het Pandemonium van de onderste, donkerste regionen van de hel, nog beneden de echtbrekers, overspeligen en andere reddelozen.
Daar zullen wij ook W.N.P. Barbellion aantreffen. Volgens eigen zeggen is hij de grootste egoïst die ooit bestaan heeft.
'Eerst als vermoeden, daarna als zekerheid kwam het in me op dat ik een proleet was - een ongevoelige, egoïstische, op sensatie beluste proleet... Voorlopig was de bodem uit mijn behaaglijke zelfvoldaanheid geslagen. Verscheidene eindeloos lange uren dreef ik rond zonder kompas of sterren. Toen stond ik op, stak het gas aan, keek in de spiegel en kwam tot de conclusie dat het echt waar was - ik was een gemeen creatuur, totaal geabsorbeerd door zichzelf.
Als een akte van berouw had ik naar buiten moeten gaan om wormen te eten.'

Barbellion is een dagboekschrijver, en dat veronderstelt al een egoïstische instelling - men schrijft een dagboek niet om het over de triviale belevenissen van anderen te hebben. Barbellion's Dagboek van een teleurgesteld man bevat zijn opvattingen, zijn meningen en zijn teleurstellingen. Deze heeft hij opgeschreven met een openheid en gretigheid die andere schrijvers volkomen doet verbleken, niet alleen dagboekschrijvers maar ook dichters en romanschrijvers. Mijn hemel, wat had deze man een romans kunnen schrijven! De hoofdpersoon uit zijn dagboek, hijzelf, is een figuur die vele bekende romanpersonages doet verschrompelen tot bleke kabouters. De bedenksels van gerenommeerde auteurs waaien uiteen als bladeren in de wind.
De voortdurende innerlijke strijd die Barbellion moest voeren is de voornaamste drijfveer voor zijn schrijven. Iedere gebeurtenis in zijn ziel wordt verwelkomd in zijn dagboek, 'op voorwaarde dat het een echte autochtoon is - het kan me niet schelen hoe sjofel, hoe lelijk of hoe afstotend'. Terwijl hij worstelt om de gedachtes die hem bestormen zo getrouw mogelijk weer te geven, voert hij intussen een andere strijd met zichzelf, om te voorkomen dat hij ze 'opkalefatert met excuses', om ze 'achtenswaardiger' te maken in de ogen van anderen. Dat mag niet: het zou de hele gedachte achter het dagboek geweld aandoen. Waarom anders 'al dat gepieker over de vraag of je ons ja of nee al de smerige kleine onderaardse gruwelijkheden zult mededelen die zich in je geest afspelen?' Barbellion realiseert zich maar al te goed dat 'elke hoog verheven rechtzinnige Times- of Spectatorlezer zal vragen: "Wie is in vredesnaam geïnteresseerd in jouw innerlijke mesthoop en bovendien, wie voor de duivel ben jij?"' De rechtvaardiging van al die 'onderaardse gruwelijkheden' is dat ze zo veel interessanter zijn dan wat anderen zouden kunnen bedenken: de dagelijkse beslommeringen van mensen in de straat, de zuchterige liefdesbelevenissen van hen die denken dat ze de eeuwige liefde meemaken, de tobberijen van romanhelden, de ingewikkelde theorieën van zijn medegeleerden, het valt alles in het niet bij wat hij zelf dagelijks bedenkt. 'Mijn eigen leven zoals het zich dag aan dag ontrolt is een bron van voortdurende verbazing, vreugde, en pijn. Ik kan geen interessanter boekwerk bedenken dan een gedetailleerde, intieme, psychologische geschiedenis van mijn eigen leven.'
Voor degenen die vinden dat wij op aarde zijn om anderen lief te hebben en niet onszelf moet deze gedachte een joekel van een doorn in het oog zijn. De Moeder Theresa's en Franciscussen van Assisi onder ons zullen ongetwijfeld huiveren als ze lezen: 'Mijn collega's geven me in feite een gevoel van minderwaardigheid, maar in theorie - in de beslotenheid van mijn slaapkamer - voel ik dat weinigen op aarde mijn gelijken zijn.' Het is niet moeilijk, ook voor een goedmenende lezer, om de schrijver van zulke woorden te beschouwen als een toonbeeld van arrogantie. Het zou de eerste keer niet zijn dat egoïsme verward wordt met arrogantie.
Barbellion mag misschien geobsedeerd zijn door zichzelf, maar dit betekent niet dat hij zich wenst te verheffen boven zijn medeschepselen. Het is geen kwestie van superioriteit, maar van een blik die zo scherp is dat het dagelijks bestaan, alle glorie en alle absurditeit ervan, in een fel en schaduwloos daglicht komt te staan.
Als iets hem verrukt is de wereld bijna te klein om zijn emotie te bevatten. Als hij bijvoorbeeld een uitvoering van Tsjaikovski's Symfonie Pathétique heeft gehoord, komt hij thuis 'zo barstensvol indrukken dat ik nauwelijks weet wat te schrijven. Zoals gewoonlijk bracht het derde deel een waanzinnige vrolijkheid teweeg; mijn borstomvang scheen met verscheidene inches toe te nemen en ik wilde het uitschreeuwen met donderende stem. Op zulke momenten zijn de regels in een voor iedereen toegankelijke concertzaal vreselijk benauwend.'
Als iets hem ergert of verafschuwt is het net of zijn blik nog iets scherper wordt, en zijn pen nog iets genadelozer. Zo beschrijft hij haarscherp het huiselijk gedrag van pasgetrouwden, de volkomen tegenpolen van egoïsten: 'Zij dragen een stoel zo teder door de kamer of het een kind is. Of de vrouw maakt sotto voce plotseling een opmerking tegen haar echtgenoot, beiden springen daarop gelijktijdig op (het lot van Warschau onbeslist latend) terwijl jij, tot zwijgen gebracht door deze onverwachte manoeuvre, in je stoel wegkwijnt, de zin waarvan je zwanger was doodgeboren op je lippen. Kort daarop komen ze de kamer weer binnen met het katje dat ze in de bijkeuken hadden gehoord of met een grote stok die ze gebruiken om mee te zwaaien naar een klein meesje in de rozenboom. Zij verontschuldigt zich en beiden gaan weer zitten, geven hun gezicht weer een luisterende uitdrukking, en pikken met een verwoestende beleefdheid de arme, dunne, gerafelde draad op van de conversatie waar die was achtergelaten: 'Europa, zei je...''
Maar het meest fascinerend zijn de momenten dat Barbellion ontdekkingen doet over het wezen van zijn eigen bestaan - als hij zich realiseert wat hij zelf is, 'een voelend wezen op een hemellichaam in de ruimte'. Hij probeert woorden te vinden om zijn verbazing uit te drukken dat mensen 'zich het merendeel van de kostbare dagen van hun bestaan moeten afbeulen voor voedsel en kleding en de naakte noodzakelijkheden van hun bestaan'. Het maakt zijn leven gevaarlijk en totaal onzeker, omdat hij weet wat een immense berg aan foute veronderstellingen, vooroordelen en regelrechte leugens er schuilgaat achter de dagelijkse zekerheden en geruststellingen van anderen. Regelmatig is hij er zo erg aan toe dat hij zich met de grootste moeite door iedere dag sleept. 'Ik moet worstelen met elke minuut. Elk uur is een verovering.' Maar zelfs in zijn momenten van diepste wanhoop staan zijn worstelingen zo nauwkeurig mogelijk opgetekend.
Als hij eens een tijd niet schrijft is dat omdat over geluk weinig te vertellen valt. Op 5 mei 1916 maakt hij de korte aantekening: 'Hallo ouwe vriend: hoe staat het ermee? Ja jij, mijn dagboek. Ik heb je in tijden niet geschreven, en mijn zwijgen is zoals gewoonlijk een teken van geluk.' Het dagboek is 330 bladzijden dik, wat al aangeeft dat Barbellion's leven meer strijd en teleurstelling heeft gekend dan perioden van kalm geluk.

Wat waren dan die teleurstellingen, dat het hele boek onder die vlag moest varen? Meer dan een mens zou moeten meemaken. Allereerst werd zijn vurig gehoopte carriére als natuurhistoricus - een vakgebied dat hem al vanaf zijn vroegste jeugd fascineerde, en dat in het begin van het dagboek een voorname rol speelt - gefnuikt doordat zijn vader na een beroerte zijn werk niet meer kon uitoefenen en hij een deel van diens werkzaamheden als journalist moest overnemen. Als hij er later in slaagt om in een open competitie met academici een betrekking te verwerven aan het Londense Museum for Natural History - een buitengewone prestatie voor een autodidact - begint een jarenlang gevecht met redacteuren van vakbladen, die zijn literaire ambities voortdurend in de weg zitten. Ook de troost waar hij zo vurig naar verlangt, die van vrouwen, wordt hem onthouden. Temidden van Londense vrouwen met wie hij niet in contact kan komen, kwakkelend met zijn gezondheid, wordt hij razend van een ambitie die hij niet in staat is te bevredigen. Inmiddels heeft de ziekte die hem fataal zal worden, een zeldzame vorm van multiple sclerosis, hem al in haar wurggreep.
Al deze teleurstellingen zijn samen te vatten in één verlammende wetenschap, zoals opgemerkt door de criticus Thomas Mallon: dat het leven hem nooit zo zou liefhebben als hij zichzelf liefhad. Voor iemand die zowel het leven als zichzelf hartstochtelijk liefheeft is dat een ondraaglijke gedachte.
Toch blijft hij, ondanks zijn zelfhaat, ondanks zijn depressies, ondanks zijn misselijkheid en zijn algeheel deplorabele lichamelijke toestand altijd bereid om zichzelf en al zijn grote en kleine ongeluk te bespreken. Meer dan eens besluit hij dat hij genoeg heeft van zichzelf en zijn 'neurotische jankpartijen' en besluit hij hier en nu 'een nieuw leven te gaan leiden en dit dagboek in het hellevuur te gooien. Ik wil het vermorzelen, in stukken scheuren.' Maar dan weer realiseert hij zich dat zijn tijd op aarde eindig en de vernedering van het sterven nabij is: 'Wat mij verbittert is de vernedering van het moeten sterven, de kostbare levenssappen te moeten gieten in de stomme aarde, je niet langer bewust te zijn van wat er gebeurt, niet langer rond te gaan over de aarde. (-) Te bedenken dat de vrouwen die ik heb liefgehad zullen trouwen en vergeten, en de mannen die ik heb gehaat zullen voortgaan op hun weg en vergeten dat ik hen ooit heb gehaat - de schande dood te zijn!' Dat is ondraaglijk. Hij moet verder schrijven.

De grote ironie van dit dagboek van een egoïst blijkt als hij zich, in een van zijn woedebuien, rechtstreeks tot zijn lezers wendt. 'Jullie zelfingenomen, hypocriete lezers! Jullie krijgen niets meer van mij. Alles wat jullie zeggen is voor mij ouwe koek en alle kritiek die jullie zullen lanceren ken ik nu al.' Op dat moment blijkt er dus toch plaats in zijn wereld voor iemand anders dan hemzelf: voor lezers. Dat gaat geheel in tegen het principe van een dagboek, dat alleen bestemd is voor de ogen van de dagboek-schrijver, en niemand anders. Maar natuurlijk heeft Barbellion altijd bedoeld dat zijn werk ook anderen onder ogen zou komen: als egoïst wil hij dat maar al te graag. Hij hunkert naar erkenning en instemming, naar de uitgestoken hand van zijn lezers. Niet omdat hij hen zo belangrijk vind, maar omdat hij wilde dat ze zouden lezen, omdat wat hij deed al het andere in de schaduw stelde.
Als Barbellion niet zo'n egoïst was geweest, als hij niet zoveel belang aan zijn eigen ego en kijk op het bestaan had gehecht, dan had hij zich nooit zoveel moeite getroost en was dit boek nooit tot stand gekomen. We moeten als lezers buitengewoon dankbaar zijn dat deze man zichzelf belangrijk genoeg vond om wat hij in zichzelf zag zo minutieus te beschrijven. Stel u eens voor dat hij zich alleen maar aan wetenschappelijk werk had gewijd, of dat hij journalist was gebleven! Het zou een misdaad, een grote tragedie geweest zijn als een mens als hij zich had moeten bezighouden met het optekenen van het gezanik en gefemel van anderen. Ik moet ineens aan Boris Vian denken, die zei: `Goeie hemel, er zijn zoveel anderen die beter eerder het loodje hadden kunnen leggen dan hij.' Je hoeft geen mensenhater te zijn om te wensen dat deze veel te jong gestorven geniale egoïst de plaats in had kunnen nemen van een paar altruïsten die je kent, die altijd rekening houden met anderen, die altijd in de weer zijn om de wereld een betere plek te maken, die het 'Nog een kopje thee, lieverd?' in de mond bestorven ligt, en die geen gelegenheid laten liggen om luidkeels te laten weten, per goede doel-giro, per boze briefkaart of per ingezonden brief, dat zij vóór het goede en tégen al het slechte zijn.
Honderd keer liever wenste je jezelf in de hel bij Barbellion en de andere egoïsten, dan in de hemel, waar je tot in alle eeuwigheid onder de voet wordt gelopen door antiracisme-demonstraties en waar het gerammel van de collectebussen oorverdovend is.


W.N.P. Barbellion, Dagboek van een teleurgesteld man, vertaald en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Harry Oltheten. Uitgeverij De Arbeiderspers, Privé-domein.

Posted by jaeggi at 11:49 pm

01 mei 2005

waar ik afgelopen maand geweest ben

Beste nieuwe gasten,

Even een paar suggesties voor een prettig verblijf in het huis, doe ermee wat je wilt (geen verplichtingen):

- Er is een nieuwe grasmaaier nodig. Met deze is niets aan te vangen, zeker als het gras al voorbij de anderhalve meter is. (Volgens mij zit er iets hards tussen de bladen, ik kreeg het er niet tussenuit. Het ruikt een beetje raar.)
- Het nieuwe bed is een crime. Twee bedbodems en twee matrassen naast elkaar maakt dat de bedden – zelfs bij normaal gebruik – bij het minste of geringste uit elkaar schuiven en de slaper op de grond deponeren. Nadat dat voor de tweede keer gebeurd was heb ik de oude tweepersoons matras uit de schuur gehaald en daar de algen vanaf geschraapt.
- Nieuw beddegoed is trouwens ook geen overbodige luxe. (Niet alleen een laken, ook een deken, zou dat kunnen?).
- Heb alle kapotte lampen vervangen. Ze zijn meteen weer gesprongen. Het 'gewone' nachtlampje in de slaapkamer is onbruikbaar: de eerste avond kreeg ik een klap dat mijn kaken op elkaar klapten. De rest van de tijd heb ik maar bij een waxinelichtje gelezen.
- Het tapijtje onder de tafel in de woonkamer is weer smoezeliger geworden, ik dacht niet dat het mogelijk was.
- Aan de positieve kant: de tuinman is geweest en heeft de bomen flink gesnoeid (tot ongeveer 30 cm. boven de grond). Een van de kastanjebomen is daarbij door het keukenraam gegaan (het raam waar nu een vuilniszak voor zit).
- De tv is een aanwinst. Ik kwam hier om te werken en was er dus eerst niet blij mee, maar drie sneeuwende kanalen zijn in het geheel geen afleidng maar juist een prettige verstrooiing - ik heb eigenlijk de hele tijd de tv aan gehad. Die ruis op de achtergrond is heel rustgevend.
- De computrer werkt als een zonnetje, op één ding na: na een uur werken wordt hij een beetje moe en vergeetachtig, en dan werken sommige toetsen niet goed meer: : wordt dan ineens +, @ wordt #, enz. (alsof hij van toetsenbord wisselt).
- De tv werkt overigens het beste als de antenne bovenop de schemerlamp en de schemerlamp op een paar boeken gezet wordt (verzameld werk Carlos Castaneda).
- Ik heb geprobeerd te determineren wat het beest in het tuinhuisje is, maar ik kom er ook niet achter. Hij (zij?) wil niet uit zijn hoekje achter het tuinmeubilair komen en gromt alleen maar als je in de buurt komt. Volgens mij heeft hij/zij/het drie ogen, dat zie je als het donker wordt en het voor het raam gaat zitten en de ogen rood oplichten in het donker. Maar op het internet heb ik nergens een soort met drie ogen gevonden.
- Het gejank tussen drie en vijf uur 's nachts komt waarschijnlijk van de buren.

Ik kom volgend jaar graag weer.

Adriaan

Posted by jaeggi at 10:19 pm