« de interlokale koningin | Main | alle malen zal ik wenen »

17 mei 2005

I.M. Tristan Egolf (1971 - 2005)

Tristan Egolf was zo'n schrijver waar je bang voor bent. In de trein van Amsterdam naar Den Haag, onderweg naar Crossing Border, ergens in de vorige eeuw, zat hij de hele reis diep weggedoken in zijn jas onder het genadeloze licht in de treincoupe. Af en toe klonk er wat gesnuf uit de jas, en als je dan keek keken er waterige kraaloogjes terug. Hij was niet gelukkig, die jongen, en hij zou het ook nooit worden, maar hij had intussen wel een roman van bijna duizend pagina's op zijn naam, Lord of the Barnyard, die net in het Nederlands vertaald was, en hij was een van de grote ontdekkingen van dat jaar, en we zouden nog veel van hem horen, zo werd mij verzekerd door zijn Nederlandse uitgever, Oscar van Gelderen, die ook in de trein zat, onder dat onverdraagzame licht waarin iedereen er veertig jaar ouder uitziet.
Over Egolfs optreden schreef ik een paar dagen later een verslag in de Groene Amsterdammer: ‘Egolf, een piepjonge (26) Amerikaanse schrijver, een moroos kijkende jongeman die vanwege een hardnekkige verkoudheid zijn bloedwarme parka gedurende het hele optreden aanhield, las op machinegeweersnelheid een scéne voor uit zijn debuut Heer onder het gepeupel. Zijn voorlezen was uit theatraal oogpunt bekeken een aanfluiting; elke regisseur zou zich de haren uit het hoofd getrokken hebben bij zo'n gebrek aan podiumpresentatie, maar niettemin zat het publiek aan zijn stoel genageld door de vijftien minuten durende woordenstroom die de zaal in golfde, het verslag van een auto-ongeluk gevolgd door een ouderwetse lynchpartij. Een of twee keer, als de absurditeit van het alles tot hem doordrong, zag men Egolf kort grinniken om eigen woorden, maar verder kende hij geen genade, en vijftien minuten lang waagde niemand in de zaal het om op te staan. Ik weet niet of Egolf een groot schrijver is, bij eerste lezing maakte zijn boek de indruk geschreven te zijn door J.J. Voskuil op amfetaminen, maar hij weet in elk geval wat je moet doen om een publiek vast te houden: tanden erin en niet meer loslaten.’ Wat kunnen je eigen stukjes, dat toontje, die zogenaamde geestigheid, toch een marteling zijn.
Gisteren las ik op een website dat Tristan Egolf zelfmoord heeft gepleegd, op 7 mei jongstleden – moederdag. ‘This is no joke’, schrijft de website, en dat is belachelijk maar ook wel begrijpelijk. Je denkt immers altijd eerst aan een grap, voor het tot je doordringt dat het echt is.
Er wordt niet verteld waarom Egolf zelfmoord pleegde; hij had net zijn nieuwe roman af, Kornwolf, was sinds kort zanger van de band Doomed To Obscurity, en hij had een dochter, Orla Story. Alles om voor te leven, zou je denken. Maar er drukte iets zwaars op zijn schouders, dat wist je direct als je hem zag, iets dat hem zo’n verschrikkelijk goede schrijver maakte, maar kennelijk is het te zwaar geworden voor hij zichzelf ervan kon verlossen. ‘The demons finally caught up with him,’ schrijft zijn website, zo’n formulering van mensen die het ook niet meer weten.
Tristan Egolf was zo'n schrijver waar je bang voor bent, omdat je aan kunt zien dat hij allang bereikt heeft wat jij misschien nooit zult bereiken, en omdat hem dat werkelijk niets kan schelen.

jaeggi om 17 mei 2005 15:40

Post a comment




Remember Me?