« zelfrecensie | Main | I.M. Tristan Egolf (1971 - 2005) »

16 mei 2005

de interlokale koningin

Het is tweede Pinksterdag, ik zit thuis achter mijn bureau, buiten staan duizenden mensen in de file. Dat zou je een opwekkende gedachte kunnen vinden. Vandaag niet.
Het wordt onze dood nog eens. Dat dacht ik ook al toen ik dit stuk schreef.

Ik werkte vroeger voor een geweldige man, de uitgever Thomas Rap. Hij is alweer jaren dood, maar ik denk er nog wel eens aan hoe hij op warme zomermiddagen uit het raam staarde, naar alle mensen die buiten mochten lopen. Omdat er nu eenmaal gewerkt moest worden vertelde hij ons dan maar verhalen over hoe hij vroeger op zulke dagen gewoon het huis uit liep en in de auto met open dak in één ruk naar Zuid-Frankrijk reed.
Tijdens onze vorige vakantie besloten wij, in de geest van Thomas, een stukje van de Autoroute du Sud af te leggen met het dak eraf.
We haalden ternauwernood het volgende pompstation. Onze chauffeur voelde zijn ogen branden, ik had jeuk over mijn hele lichaam en de twee achterin zaten te niezen en klaagden over keelpijn. Ik zwoer voor de zoveelste keer dat dit echt de laatste keer was dat ik met de auto op vakantie ging. Met de trein kom ik tenminste niet doodziek op mijn vakantiebestemming aan. De rest van de vakantie heb ik elke voorbijkomende automobilist die de landelijke stilte verbrak vurig vervloekt – behalve natuurlijk onze eigen chauffeur, want we moesten nog naar huis.
Dat is de tragiek van de autohater: je wilt niet maar je moet wel. Ik heb geen eigen auto. Voor de langere afstanden ben ik afhankelijk van de goedertierenheid van bevriende automobilisten, die me mee laten rijden als ik vooraf beloof mijn mond te houden over vervuiling, lawaai en de auto in het algemeen.
Na een kwartier staan we in de file. Omdat ik niks mag zeggen kijk ik om me heen. Voor ons en achter ons staan honderden roerloze auto’s stationair gif uit te stoten. Ik voel me iemand die lekker in bad ligt, dan komt er iemand binnen die zijn gulp opendoet en in mijn badwater begint te plassen.
In zo’n file denk ik vaak aan het verhaal ‘De Interlokale Koningin’ van de Amerikaanse cultschrijver R.A. Lafferty. Het is zo’n ‘wat als…’ verhaal, waarin de geschiedenis op een cruciaal moment net iets anders is gelopen. Hier is niet de auto maar de tram het vervoermiddel van de massa’s geworden, omdat iemand op het moment dat de rol van het paard is uitgespeeld, en er behoefte is aan een nieuw vervoermiddel, heeft bedacht: ‘De vriendelijkste man ter wereld wordt ongelooflijk arrogant als hij een automobiel bestuurt. (-) Ik zeg je dat de mensheid tot volslagen zelfzuchtigheid zal worden aangezet als het besturen van automobielen gemeengoed wordt.’ En dus zijn auto’s in Lafferty’s verhaal verboden, en is de wereld niet bedekt met asfalt, maar met een ragfijn net van blinkende tramsporen, dat de passagiers tussen de bloeiende tuintjes en karpervijvers door naar hun bestemming voert, efficiënt maar zonder haast. Af en toe wordt er een illegale automobilist ontdekt, opgejaagd en afgemaakt. Vanuit zijn brandende wrak krijst hij: ‘Een man in een automobiel is duizend man te voet waard! Je bent nooit half gestikt van heerlijke haat en vervoering terwijl je de hele wereld hoonde vanuit je verende middelpunt van het heelal!’
Inmiddels is de file bijna opgelost. Langzaam komt alles weer op gang, en een voor een komen ze langs mijn raam glijden, alle verende middelpunten van het heelal.

jaeggi om 16 mei 2005 15:28

Post a comment




Remember Me?