« Shortlist Gouden Doerian 2005 | Main | Liever schelden dan debatteren - de waardevolle lessen van de eerste Gouden Doerian »

04 maart 2005

Juryrapport Gouden Doerian 2005

Clark Accord – Tussen Apoera en Oreala (Vassallucci)
Het meest treurig stemmend aan Clark Accord's roman Tussen Apoera en Oreala zijn de goede bedoelingen en de grote ambitie die er zo overduidelijk uit spreken. Accord heeft geprobeerd een ‘hartverscheurend liefdesverhaal’ te vertellen, ingekleurd met intrigerende exotische gebruiken vol symboliek, Surinaamse en indiaanse mystiek en betoverend natuurgeweld, en hij heeft ook nog geprobeerd een stuk Surinaamse geschiedenis tot leven te wekken, zoals hij eerder verdienstelijk deed in De koningin van Paramaribo. Des te tragischer is het dat hij in dit boek zo tekortschiet.
Het resultaat van al zijn inspanningen is een schare karakters met exotische namen - Hononokwa, Sathobang, Sasamali, Binali, Joerhi-tokorho, etc. - die plat op het papier blijven liggen, een hinderlijke zwerm van tokotsji’s, kasjiri, kanaima’s en cassavabrood die de lezer om het hoofd zoemt, een warrig verteld verhaal dat geen emotie opwekt dan verwarring, en een glimp van wat dit boek had kunnen zijn.
Wat dit boek tot een uitputtende krachtproef maakt – voor de lezer – is vooral Accords stijl. Die is, om het voorzichtig te zeggen, wat opsommerig. De schrijver heeft zich tot taak gesteld elk detail, elke stemming, elk ritueel, elke gedachte, elk volksverhaal, elke profetie, elk middagslaapje en elk ook maar even de kop opstekend onlustgevoel van zijn karakters uitvoerig te beschrijven, maar heeft verzuimd daar enige vorm van spanning in aan te brengen. Het resultaat is dat het boek grotendeels lijkt te zijn overgeschreven uit de kurkdroge onderzoeksverslagen van de indianen-inspectiecommissie voor Suriname en omstreken.
Zo maakt Accord geen enkel onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. Alles krijgt bij hem evenveel gewicht, ook een typische beschrijving als: ‘Hjarobang lag rustig in de hangmat te slapen. Die ochtend had ze het kind bij een min laten zogen, waardoor haar borsten als overrijpe broodvruchten vooruit stonden, klaar om bij de geringste aanraking hun witte vruchtsap naar buiten te persen. Als een fijnmazig netwerk waren de blauwe aderen onder haar huid zichtbaar. Niets aan haar gelaatsuidrukking deed vermoeden dat ze last had van de stuwing van haar borsten.’
Even afgezien van de opmerkelijke jungle-symboliek (interessante vraag: wat zou de reactie zijn op een niet-Surinaamse schrijver die de vergelijking ‘overrijpe broodvruchten’-’borsten’ op zijn repertoire zou nemen), en ook even afgezien van het feit dat de schrijver zelf midden in zijn metafoor broodvrucht en borst niet meer uit elkaar kan houden: waarom moet dit allemaal zo uitgebreid verteld worden? Want dit is nog maar een kwart van een beschrijving die in de handen van elke redelijk efficiënte schrijver niet meer dan twee regels zou beslaan. Dat is de schrijver aan te rekenen, maar in dit boek heeft de dienstdoende redacteur de schrijver ook lelijk in de steek gelaten. Had men het op de uitgeverij nu werkelijk zo druk dat niemand de schrijver kon vertellen dat ‘weldadigheid’ niet hetzelfde betekent als ‘liefdadigheid’(p. 24)? Had niemand de hand van de schrijver weg kunnen sturen van onbeholpen tangconstructies als: ‘Een luide kreet, die door de rivier werd meegenomen en tot ver over de boomtoppen die aan de oever zijn reis volgden weerklonk, ontsnapte aan zijn keel’? (p. 166). Had niemand hem kunnen behoeden voor onbeholpen onlogica als: ‘Niet wetend waar het verhaal naartoe moest leiden, nam hij haar woorden als een spons in zich op.’ Gevolgd door het deerniswekkende: ‘Hij vond het in elk geval een alleszins interessant verhaal.’
De redacteur die dit boek heeft begeleid zou door de rechter verboden moeten worden zich de komende jaren binnen een straal van tien kilometer van de schrijver te begeven. Het is mede zijn/haar schuld dat deze goedbedoelde poging van Accord op niets is uitgelopen.


Ad ten Bosch – Huidhonger (De Arbeiderspers)
De jury heeft geaarzeld of dit boek op de shortlist moest komen. Zo slecht is het nu ook weer niet.
Ten Bosch is een ervaren schrijver (Huidhonger is zijn vierde roman) die de moed een beetje lijkt te hebben verloren. Geen wonder: succes met zijn boeken is hem tot nu toe niet vergund geweest. Ten Bosch lijkt in deze roman maar een beetje aan te klooien, met een merkwaardig dubbel effect: zijn losse verteltrant maakt het tot een makkelijk leesbaar boek – het is in een avond uit te lezen – maar ook een al te makkelijk verteerbaar boek: het is diezelfde avond alweer uit het systeem en de herinnering verdwenen.
En dat terwijl het, blijkens de flaptekst, toch de bedoeling van de schrijver was een ‘buitengewoon zinnelijke, met grote zintuiglijke precisie geschreven liefdesroman’ te presenteren. Met ‘buitengewoon zinnelijk’ doelt de uitgever waarschijnlijk op een uitspraak als dit, waarbij de hoofdfiguur zijn gevoelens voor zijn nieuwe geliefde probeert uit te drukken: ‘de eerste nacht smolt ik als een klontje boter op jouw huid’. De schrijver probeert hier door middel van een hyperbool zijn grote passie uit te drukken, maar: een klontje boter? Is dat het beste wat zo’n vurige minnaar kan verzinnen? Geen wonder dat hij de bons krijgt.
Een passage die ‘met grote zintuiglijke precisie’ is opgeschreven is de volgende: ‘Gelukkig gaf ze bij harde seks de voorkeur aan op zijn hondjes, eerst vermoedde ik om zich daarbij ook nog door mij te laten vingeren, pas veel later begreep ik dat ze in die steming het liefst anaal genomen werd, want vingeren deed ze liever zelf.’
Dit is inderdaad redelijk precies genoteerd, niemand zal zich hierna nog afvragen welk lichaamsdeel zich in welke holte bevond, maar de eerste de beste handleiding voor een stofzuiger is liefdevoller geschreven.
In Huidhonger wordt gehint op jaloezie, bindingsangst, verdriet, maar geen enkele van die grote emoties vermag de lezer te raken, omdat het de schrijver zo overduidelijk ook niet veel kan schelen. Zijn vertellen ademt vermoeidheid, bijna verveeldheid, hoewel het onderwerp zo opwindend zou kunnen zijn: een nieuwe verovering, misschien een nieuw leven, licht aan het einde van de tunnel; maar de schrijver wekt voortdurend de indruk dat het de zoveelste verovering, het zoveelste nieuwe leven en het zoveelste licht is. Hij heeft het allemaal wel gezien.
Dat resulteert in stuurloos, gemakzuchtig proza, met af en toe een verrassende passage waarin Ten Bosch toont dat hij wel degelijk gloedvol kan schrijven. In deze scène bevindt de hoofdpersoon zich op een feestje in New York: ‘In de kamers gonsde het van tevredenheid. Men verbeeldde het succes van deze tijd: alles haalbaar, alles maakbaar, iedereen had recht op geluk. En hier had dat met geld te maken, met veel geld. Tegen een vette beloning olieden ze de geldmachines van de moderne roofridder. Zie eens hoe we geslaagd we zijn! Morgen valt het vlees van hun botten en neemt een ander hun plek geruisloos in, heden niet. Een bonte verzameling intellect, stralend van talent, maar waarop gericht?’
Huidhonger is een boek van een schrijver zonder inspiratie. De jury wenst hem voor zijn volgende boek een onderwerp en een redacteur toe die hem opnieuw weten te inspireren.


Jessica Durlacher : Emoticon (De Bezige Bij)
Over dit boek is veel te doen geweest, ook voor de jury van de Gouden Doerian zich erover boog. Jessica Durlacher is een publiekslieveling, maar met dit boek werd zij door de literaire kritiek vrijwel met de grond gelijk gemaakt. Haar eerdere romans waren bestsellers, dit boek heeft het hard te verduren gekregen. Er is alle reden om te zeggen dat Durlacher met dit boek als schrijver een stap terug heeft gedaan.
In dit verband wil de jury wijzen op het vergelijkbare lot van Yasmine Allas, een schrijfster die met haar roman De blauwe kamer de shortlist voor de Gouden Doerian niet heeft gehaald, maar wel op de longlist voorkwam.
Allas debuteerde in 1998 met het goed ontvangen Idil, een meisje, dat diverse malen herdrukt werd. In 2000 verscheen haar roman De generaal met de zes vingers, waarbij de reacties tamelijk lauw waren. Afgelopen jaar verscheen haar vuistdikke roman De blauwe kamer, waarmee duidelijk werd dat Allas als schrijver de afgelopen jaren niet gegroeid is, behalve in het produceren van steeds meer woorden.
Jessica Durlacher en Yasmine Allas worden uitgegeven door dezelfde uitgeverij. Het zijn beide schrijfsters met een bijzonder verleden en een bijzonder verhaal, die een goede begeleiding nodig hebben. Beide schrijfsters hebben ook een potentieel groot publiek voor hun werk. De jury vraagt zich daarom af waarom hun uitgeverij niet zuiniger omspringt met haar schrijfsters.
(De meer technische aspecten van Emoticon worden behandeld in het grondige essay van literatuurwetenschapper Fabian R.W. Stolk, op durlacher)


Tessa De Loo: De zoon uit Spanje (De Arbeiderspers)
Tessa de Loo schreef met De zoon uit Spanje een roman waarin zes personages (één stem per hoofdstuk) het verhaal vertellen. William Faulkner (As I lay dying) en Hugo Claus (zijn romandebuut De Metsiers is schatplichtig aan Faulkner) gingen haar voor.
Natuurlijk geeft het geen pas Tessa De Loo met Faulkner te vergelijken. Maar zij mag ook de veters van Claus – die de laarzen van Faulkner aan het poetsen is – niet eens strikken. Ze heeft voor een ambitieuze constructie gekozen die ze niet machtig is. De stemmen in De zoon uit Spanje willen maar niet gaan klinken. Elk karakter spreekt met de stem van Tessa de Loo – en behalve dat dat de hele contructie overbodig maakt is het een vlakke stem, vol clichés, die op geen enkel moment verrassend of origineel is.
Misschien daarom laat de schrijfster de gebeurtenissen in zo’n onwaarschijnlijk tempo op elkaar volgen. Zo is Bardo, ‘de verloren zoon’, na dertig jaar eindelijk thuisgekomen om de verjaardag van zijn stervende vader te vieren. De vader, die zijn zoon op zijn negentiende het huis uit stuurde, heeft dertig jaar geen enkele ontwikkeling doorgemaakt, maar als de zoon weer thuiskomt is het binnen een paar uur weer koek en ei tussen de twee. Zulke onwaarschijnlijke plotwendingen zijn alleen geloofwaardig voor lezers die gestaald zijn door vele jaren soaps kijken.
Maar het is De Loo er kennelijk ook niet om te doen geweest een geloofwaardig boek te schrijven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het plichtmatige zwart-wit contrast tussen de personages. Pa is een brombeer die zich laat ontdooien door de verloren zoon. Er is een homoseksuele zoon die ook nog kunstenaar is. Als katalysator wordt pa’s kleindochter uit een slecht yuppenhuwelijk gebruikt, om nog een beetje leven in de brouwerij te brengen.
Even plichtmatig is De Loo’s stijl in dit boek. Als voorbeeld twee ‘erotische’ passages – niet om de schrijfster belachelijk te maken, maar omdat schrijven over seks een van de meesterproeven, maar ook een van de grote valkuilen is voor een schrijver. Een beschrijving van lichamelijke liefde kan maar al te makkelijk omslaan in een technische verhandeling over de uitwisseling van lichaamssappen, of in een lachwekkend ballet voor twee vleeshompen.
Tessa de Loo doet het als volgt: ‘Wanneer de achtbaan zijn hoogste punt bereikt en uitzicht biedt over de wereld en het firmament, versmelten pijn en genot met elkaar, waarna het in een duizelingwekkende tuimeling kreunend omlaaggaat.’ En: ‘Terwijl we elkaar beminnen lijkt het of we loskomen van de zwaartekracht, van heden en verleden, en opstijgen in een haast onhoudbare begeerte.’
Had de schrijfster soms net een bezoek aan De Efteling gebracht?
De zoon uit Spanje is een plichtmatig werk van een schrijfster die haar sporen wel verdiend heeft. Ook zij heeft talent. Ook zij heeft een groot publiek. Wij herhalen de klacht die wij eerder bij Jessica Durlacher en Yasmine Allas uiten: waarom zijn uitgeverijen niet zuiniger op hun schrijvers?


Ilja Leonard Pfeijffer: Het grote baggerboek (De Arbeiderspers)
Aan dit boek wil de jury niet veel woorden besteden, want Ilja Leonard Pfeijffer is een veel beter schrijver dan dit boek doet vermoeden. Helaas heeft hij zich er in Het grote baggerboek gemakkelijk vanaf gemaakt.
Het grote baggerboek is een truc, een verzameling moeiteloos en achteloos ingevulde sjablonen. Eerst een kleurrijk hoofdstuk vuilbekken van een baggeraar die verdacht wordt van een misdaad, waarna een keurig Nederlands sprekende psychiater aan het woord komt voor een hoofdstukje psychologie van de koude grond. Niet alleen is het kunstmatige contrast tussen de twee zo overduidelijk dat het al snel geen enkele verrassing meer biedt, ook het taalgebruik – waarin Pfeijffer anders zo uitblinkt – is van een doffe eenvormigheid. Er zijn misschien mensen die met open mond blijven toekijken als twee marktkoopmannen elkaar de huid volschelden, maar de jury begon al bij de tweede pagina ‘ranzende hoeren met gele kamelenpuskutten en met een harige aars vol met ruftende reuzel, krijg nou de tiethoest en schurft aan je schompes met zweren’, te geeuwen.
Virtuoos schelden is een kunst op zich, en een kunst die deze jury bewondert, maar deze scheldwoordenvloed is totaal vrijblijvend, en daardoor volkomen onschadelijk.
Verder is de jury niet onder de indruk van de morele boodschap van het boek, niet alleen omdat men die al mijlen van tevoren ziet aankomen, maar ook vanwege de gemakzuchtige wending: niet de vuilbekkende baggeraar blijkt de schurk, maar juist de keurige psychiater. Waar zagen wij deze verrassende ontknoping eerder? Lassie? Een oude aflevering van Columbo?
Gelukkig heeft veelschrijver Pfeijffer zich inmiddels gerevancheerd met zijn nieuwe boek, de dichtbundel In de naam van de hond.

jaeggi om 04 maart 2005 10:59

Post a comment




Remember Me?