« februari 2005 | Main | april 2005 »

30 maart 2005

I.M. Ric Caddel

Vandaag is de sterfdag van de engelse dichter Ric Caddel (1949-2003).
Ik heb Ric één keer ontmoet, aan de noordkust van Engeland. Er zijn weinig dingen waar ik scherpere herinneringen aan heb dan aan die dag. Een half jaar voor zijn dood schreef ik het onderstaande stuk, voor het tijdschrift De Revisor.
Meer gedichten van Ric vind je bij de posts van 23 maart.

Pijlpuntverzieker
Over het vertalen van de poëzie van Richard Caddel

De wind waait hier altijd. Hoeveel honderden jaren hij al de aanloop over de Noordzee neemt om zich hier op de rotsen te storten, niemand weet het. ‘Altijd’ is er denk ik het beste woord voor, waarmee we niet bedoelen voor altijd en eeuwig, maar: voor zo lang als iemand zich kan herinneren.
We staan op het eerste duin, door het opspattende water is het net of de wind met consumptie praat. Verder is er niets dan het gezwatel van de meeuwen en af en toe de plok! van een golfbal die als een kleine witte meteoriet bij ons in de buurt valt. Achter de duinen is de plaatselijke golfbaan.
Een paar minuten geleden stond ik op de verweerde transen van Dunstanburgh Castle, dat al eeuwen dit deel van de engelse kust bewaakt. Aan de voet van de toren graasden schapen, tien meter daaronder schuimde de branding om de rotsen, en zoals altijd op zulke plekken boog ik me ver voorover en overwoog hoe het zou zijn als ik me liet vallen. Niet uit wanhoop, niet vanwege een kortsluiting in mijn hersenen die daar al sinds mijn geboorte waarschuwende vonken schiet, maar uit nieuwsgierigheid. Hoe het zou voelen.
Die nieuwsgierigheid zou de klap overigens niet verzachten, daarom dwing ik mezelf de balustrade vast te pakken. Mijn hand zit meteen vol roestige splinters. De wind rukt aan mijn kleren, mijn haar kan er elk moment afwaaien, hoe ben ik hier ook alweer terechtgekomen? Het had met dat gedicht van Richard Caddel te maken.

Gatekeeper, arrowhead
sickener. Burrow-
mump,
distributor head.
Matrix-cutter.

Cheddar, limestone, mare incognitum.
Tony and Liz, clustered
bellflower
osiers and
fool’s parsley.

Omdat ik me tegenwoordig ‘professioneel met poezie bezighoudt’ (dit zijn niet mijn woorden maar woorden van degene die mij vorige week bij de poeziemarathon in Amsterdam aankondigde, een oud meisje met morsdood haar dat niet wilde toegeven dat het dood was, ‘Adriaan Jaeggi houdt zich sinds een paar jaar professioneel met poezie bezig’, waarmee ze kennelijk doelde, bedacht ik, terwijl ik de treden naar het schavot besteeg, op die jodenfooi die je krijgt voor je recensies, op de flessen wijn die je krijgt na het voorlezen van dertien mensen (vriendin en buurvrouwen meegerekend), op de lauwe reacties van redacties als je met je vertalingen van geniale, maar helaas in Nederland onbekende dichters aankomt (‘Het is wel een beetje fragmentarisch hè?’), en op de dagen, weken die je besteed hebt aan het spitten naar een antwoord op de existentiële vraag: moet ik aan het eind van dit gedicht nu drie keer of vier keer ‘hemeltjelief’ gebruiken?) omdat ik er, kortom, ‘verstand van heb’ (dit zijn mijn woorden) weet ik dat de eerste vraag die mensen altijd stellen bij een gedicht dat niet onmiddellijk zijn betekenis prijsgeeft, is: Waar gaat dit gedicht over?
Als Professioneel Bezighouder met Poëzie kun je je boos maken over zulk onbenul (‘Gedichten gáán nergens over, behalve over zichzelf’) maar dat is kinderachtig. Een fles wijn gaat ook nergens over. Toch zijn er mensen die uren kunnen oreren over het Hout tegen de Nare Droptinten en de Verleiding van het Rode Fruit. Dus dit bovenstaande gedicht gaat volgens mij, maar pin me d’r niet op vast want ik ben ook maar professioneel, over landen waar ik nooit geweest ben, enorme maaltijden, oude vrienden, heimwee, gegrinnik, lamplicht, het geluid van snikken op de gang, schimmel, gedichten in talen die ik niet kan lezen, kerken, kerkhoven, dassen, ganzen, batterijen die nooit opgaan en verrekijkers.
Maar dan heb ik het over een eerste indruk, hoor.
Het zijn allemaal associaties, en hoewel die heel prettig zijn, als de eerste lentewind op je wangen, daarmee doe ik het gedicht nog geen recht. Voelen zonder begrijpen is misschien genoeg voor gelovigen, maar niet voor poëzie.
Als ik iets niet begrijp probeer ik het vaak te vertalen. Dat werkt goed in buitenlandse café’s en het werkt ook uitstekend bij het temmen van je huisdier en het begrijpen van poezie.
Het is een eenvoudig gedicht, daar zijn we zo uit.
‘Poortwachter’ is het eerste woord. Het tweede is: Pijlpunt/verzieker, en wat een geluk dat die woorden in het Engels en het Nederlands ritmisch op elkaar lijken en ook nog bijna hetzelfde betekenen.
Dan komt er een e-mail uit Engeland.
‘This will hopefully save you some time in the reference-library,’ schrijft Caddel. ‘Het zijn de officiële namen van de groeisels die in het gedicht voorkomen.’
Groeisels?
Ben ik per ongeluk op de engelse Marten Toonder gestuit?
‘The Latin name for Gatekeeper is Pyonia tithonus,’ schrijft Caddel. ‘It’s a kind of butterfly. I should think it’s fairly common in The Netherlands too.’
Vlinder? Ben ik gedichten van de engelse Midas Dekkers aan het vertalen?
‘Arrowhead = Sagitaria sagitifolia (aquatic plant - you're bound to have this), and Sickener = Russula emetica (fungus, common in pinewoods),’ laat de dichter me weten.
Voor de latijnse namen krijg ik hulp van de Wetenschapswinkel Biologie Utrecht. Binnen een week mailen ze: ‘De Gatekeeper, door jou genoemd 'Pyonia tithonus', is waarschijnlijk het
Oranje Zandoogje. De Latijnse naam hiervoor is 'Pyronia tithonus'. Deze vlinder komt voor in Midden- en Zuid-Europa, op bloemrijke, warme terreinen. Arrowhead is pijlkruid. De Russula emetica is een paddestoel, en de Nederlandse naam is 'Braakrussula'; hij is dan ook giftig. Maar dat zei de
Engelse naam ook al.’
Als ik het gedicht dus naar de letter wil vertalen zijn dit de eerste regels:

Oranje Zandoogje. Pijlkruid-
braakrussula.

Voor Burrow mump had ik bedacht: Leger heuvel. Een burrow is het leger van een dier, mumps is mazelen in het nederlands, maar dat bedoelt hij natuurlijk niet, dus het moet heuvel worden omdat…
Er komt weer een e-mail uit Engeland.
‘Burrow Mump is a small hill in the middle of the Somerset Levels.’
Hij kan het krijgen zoals hij het hebben wil:

Oranje Zandoogje. Pijlkruid-
braakrussula. Heuveltje in de Somerset levels.

In de dagen die volgen wordt mijn bureau overwoekerd door meer mystieke botanische informatie dan ik ooit dacht nodig te hebben.
Caddel: ‘Clustered bellflower = Campanula glomerata. Osier = Salix viminalis (again, common I'd thought, for you). Fool's parsley = Aethusa cynapium. Fool's Parsley, by the way, is also a piece of english folk-botanical irony: it's nothing like parsley, and it's poisonous.’
Ook de Wetenschapswinkel vind dat ik dat zelf had kunnen weten: ‘Fool's parsley oftewel 'Aethusa cynapium' was niet moeilijk; ieder behoorlijk plantenboek vermeldt deze. Dit is de 'Hondspeterselie', giftig in verse toestand.’
Langzaam begin ik te begrijpen (ik ben ook maar professioneel) dat we er zo niet komen.

Richard Caddel, de man wiens gedichten ik heb vertaald, draagt een enorme bril en, het lijkt bijna overbodig, een nog enormere verrekijker om zijn nek. Verder ziet hij eruit als de bibliothecaris die ik nooit gehad heb. Ik heb zijn hand geschud en we hebben een paar woorden gewisseld, weinig voor mensen die al maanden via e-mail gedichten uitwisselen. Het blijkt uit voorzorg: we hebben onze adem hard nodig voor de klim naar het Dunstanburgh Castle. Wel heb ik onderweg begrepen dat ‘Tony and Liz’ bestaande mensen zijn, vrienden van Ric. Ik had het vertaald met Ton en Marlies, wat volgens mij het juiste Nederlandse equivalent is van die Engelse namen. Ook heb ik in een aanval van luciditeit ‘Cheddar’ vertaald met ‘Goudse’. Ric heeft me zonet verteld hoe dol hij is op cheddar, en dat er geen betere kaas bestaat.
‘Plok.’ Een golfbal mist me op een haar.
Ric zegt: ‘But it’d be sad to lose such a word as “poortwachter”, which sounds good. This is a very important element for me. It carries much of the meaning which sustains the poem, I hope. My guess is - correct me if I'm wrong here – that translators have to take hard decisions all the time, and only if they're exceptionally lucky can they transfer all the levels of meaning of the original. The chances of there being a dutch butterfly with a similar name were always pretty slim, I'd imagine. Not many of my poems have such crypto-vocabulary, where one word carries fairly deeply concealed meanings, so it's just possible that you may have dived into the most stormy part of the ocean with this one.’
Dan legt hij zijn verrekijker recht op zijn borst en slaat de weg naar de duinen in. Er moet hier vlakbij een uitstekende pub zijn, ergens tussen het kasteel en de zee in.

Poortwachter, pijlkruid-
verstikker. Leger-
heuvel,
verdeelkap.
Matrix-snijder.

Goudse, kalksteen, mare incognitum.
Bob en Karin, kluwen-
klokje,
wilgen en
hondspeterselie

Posted by jaeggi at 11:19 am

I.M. Simon Troost

Vandaag is de sterfdag van Simon Troost (1973-2003).
Hij zond me ooit deze adreswijziging:

Wees welkom in mijn nieuwe huis,
treed binnen, wees niet bang
en hang je jas maar in de gang
aan dat levensgrote kruis.

Die vloer van wanhoop is juist gelegd,
de balken van treurwilg zijn stevig
dus mijn gevel staat ongebroken en recht
al huilt de storm nog zo hevig.

Ik heb het sober ingericht
met gebroken harten op het behang
en die lampen met gebroken licht
zijn momenteel ook erg in zwang.

De muren zijn van puur leed,
in de haard brandt verse ellende
en dat zijn portretten, een voor een
van mensen die ik ooit kende.

Dit is de trap die je leven vergalt
en boven hangt nog meer verdriet
en ik hoop maar dat het je hier bevalt
want een uitgang is er niet.

Posted by jaeggi at 11:13 am

pink champagne

God, wat ben ik toch gek op champagne. Van andere drank krijg ik na twee uur genoeg, maar champagne kan ik tot de volgende ochtend blijven drinken.
En gisteren was er genoeg. Jeroboams roze bubbels, roze zalm gefileerd uit de kuitspieren van echte Ieren, een roze band met donkerroze trombones, roze poedels die met nog meer champagne rondgingen en een podium vol echte meisjes in roze rubberen ranzige lingerie.
Ik voelde al snel dat het te lang geleden was dat ik champagne gedronken had, laat staan roze. Volgens mij voor het laatst met Oud en Nieuw, jaren geleden.
Het was de laatste dag van het jaar en ik had nog precies anderhalve euro op zak, wat je zou kunnen beschouwen als een staaltje van solide financieel beleid – precies op de laatste dag van het jaar is je laatste geld op -, maar niet als je op dat moment in een taxi zit op weg naar een feest waar je niemand kent en dus niemand kunt vragen even de taxi voor te schieten. In een soort wanhoopsdaad vroeg ik de chauffeur te stoppen bij de eerste de beste pinautomaat. Hij keek argwanend in zijn spiegeltje, maar besloot dat het in ons beider voordeel was als hij niet moeilijk ging doen. Dat is het prettige aan taxichauffeurs: je kunt er altijd op rekenen dat ze als eersten zien waar hun voordeel ligt.
We stopten bij een pinautomaat. Ik had me al vaker verwonderd over het feilloze instinct waarmee mijn bank onherbergzame lokaties weet te vinden voor haar geldloketten, maar deze plek sloeg alles. Het kon niet anders of men had op een dag besloten dat de klanten wat al te makkelijk bij hun contante geld konden, daarom waren ze op zoek gegaan naar plekken waar je echt moeite moest doen. Op deze straathoek hadden ze zichzelf overtroffen. Er joeg een ijzige wind langs de gevels en de stoep was hardhandig opengebroken. Een donkere, verlaten loopgraaf gaapte voor mijn voeten. De automaat was alleen bereikbaar via een wankele houten plank. Ik aarzelde.
De taxichauffeur rochelde ongeduldig. Ik zuchtte en zette een voet op de plank. In twee snelle stappen was ik bij de automaat. Ik ging zo staan dat de taxichauffeur niet kon zien dat mijn saldo knalrood was. Terwijl de automaat mijn pasje herkauwde bedacht ik dat het natuurlijk best mogelijk was dat mijn bankiers die middag de hand over het hart hadden gestreken en alsnog opdracht hadden gegeven mij mijn schuld van negenhonderd euro kwijt te schelden.
De automaat stak zijn tong naar me uit. Ik nam mijn pasje terug. Wat nu? In elk geval moest ik terug in de taxi zien te komen. Daarna zou ik wel weer zien. Onder de geldschuif lag een stapeltje vochtige achtergebleven bonnetjes. Ook weer zoiets. Waarom vragen mensen altijd een bonnetje als ze dat vervolgens toch laten liggen? Ik keek naar het stapeltje papier en kreeg een idee. Ik pakte mijn lege portemonnee, en terwijl ik me omkeerde als een man die klaar is voor een avondje flink geld verbrassen propte ik de bonnetjes in de portemonnee, alsof het honderden euro’s waren. Een ervan werd door de wind gegrepen en fladderde in de kuil.
‘Je laat wat vallen,’ zei de taxichauffeur.
Ik wilde zeggen: ach, laat maar zitten, maar bijtijds bedacht ik hoe ongeloofwaardig dat zou klinken. Bovendien was de kans groot dat hij dan zelf in de kuil zou springen om het verloren bankbiljet te zoeken. Er zat niets anders op.
Onderin de kuil stond water. Mijn schoenen liepen snel vol. Ik riep ‘Gevonden’ en begon weer naar boven te klimmen. Toen ik mijn hoofd over de rand stak zag ik iets liggen in de modder naast de loopplank. Ik stak mijn hand uit. Het was een biljet van vijftig euro. Ongelovig hield ik het tegen het licht. Het was echt.
‘Gevonden!’ riep ik nog eens, dit keer met heel wat meer overtuiging. ‘We kunnen weer. Maar eerst even langs de avondwinkel!’
Het feest was in volle gang, en ik kende er inderdaad niemand, maar ik werd met gejuich ontvangen. Het is geweldig wat zo’n reuzenfles roze champagne voor je persoonlijkheid doet. Een uur later stond ik buiten met twee vrouwen aan de ene en twee mannen aan de andere arm Auld Lang Syne te zingen terwijl het vuurwerk om onze oren spatte, zo hevig dat ik er niet eens aan dacht dat je zo’n pijl ook in je oog kunt krijgen – wat zou je je opwinden over futiliteiten. Op een zeker moment gierde er een pijl vlak langs mijn oor. Ik keek over mijn schouder of mijn jeroboam roze champagne nog op de stoep stond. Hij stond er nog. Wel kwam er rook uit de hals. Iemand had een vuurpijl in mijn nog bijna volle reuzenfles gezet en hem aangestoken. Drie liter roze champagne naar de maan, of in elk geval die richting uit. Ik kon het nieuwe jaar met een schone lei beginnen.

Posted by jaeggi at 11:04 am

28 maart 2005

verloren zoon in Groningen

Het blijft toch een stad waarvan je je hele leven denkt: die zou ik weleens wat beter willen leren kennen. Maar het komt er nooit van. Het blijft bij die ene avond in de binnenstad, waar iedereen wat landerig rondhangt in het Kooistra-imperium, de Drie Gezusters op de Grote Markt, waar het publiek, de barkeepers, de spiegels boven de bar, het Happy Hour en het schoolbord met de menukaart (saté van varkenshaas) allemaal identiek zijn. Zulke kroegen (het Leidse- en Rembrandtplein zijn er ook van vergeven) zitten altijd vol, met mensen die doodsbenauwd zijn aangesproken te worden door een onbekende dagschotel.
Wel een gedicht opgepikt onderweg, van een verloren Groninger zoon die ik tegenkwam. Toch een moment gedacht: die zou ik weleens wat beter willen leren kennen. Maar het komt er nooit van.

Na jaren
verslaafd te zijn geweest
was hij afgekickt
en keerde
terug naar huis.
Vader zag hem
en riep:
moeder, kijk eens
wie daar aan komt,
onze Rinus.
Dan heb ik vijf aardappels
te weinig geschild
antwoordde zij.

- Rense Sinkgraven, uit de bundel Bombloesem.

Posted by jaeggi at 01:01 pm

24 maart 2005

slaapliedje

ik ga slapen, ik ben moe
doe mijn beide oogjes toe
blijf je bij me? ja, ik wacht
ik blijf bij je
de hele nacht

Posted by jaeggi at 09:48 pm

23 maart 2005

eindelijk omstreden

Of je een optreden wilt komen doen. In Groningen.
Nietsvermoedend zeg je ja.
Luttele dagen later staat de aankondiging op het net:
Adriaan Jaeggi in Schrijvers aan de Tand
'Woensdag 23 maart komt de omstreden schrijver Adriaan Jaeggi naar Groningen. In de serie Schrijvers aan de Tand zal hij worden doorgezaagd.'

Dat doorzagen, daar zie je wel een beetje tegenop. Maar wat maakt het uit: eindelijk ben je omstreden! Samen met Pablo Neruda, Chris Abani, Jack Mapanje, Solszenitsjin, Heberto Padilla, Wang Tong Kong!

Eindelijk omstreden.
Daar gaat op gedronken worden, vanavond in Groningen, in Images, Poelestraat 30 . Aanvang: 20.30 uur, entree: € 4,00.


Posted by jaeggi at 11:52 am

grackles

Words, words.

The tumult
to live where
you would be
loved.

The waters
rising.

- Ric Cadell

Posted by jaeggi at 09:38 am

shell

Days when we called sky mackerel
out to sea
shelduck rising
from mudflats

flame
from the oil refinery

- Ric Cadell

Posted by jaeggi at 09:36 am

pacific

These tides - to
have that music
on the air
a shard
of sound
I thought
I heard you
singing

- Ric Caddel (1949-2003)

Posted by jaeggi at 09:31 am

20 maart 2005

aan iedereen die nu achter een bureau zit

Goedemorgen.
Voordat u aan het werk gaat, lees eerst even dit.

Work
Who first invented work, and bound the free
And holyday-rejoicing spirit down
To the ever-haunting importunity
Of business in the green fields, and the town -
To plough, loom, anvil, spade - and oh! most sad
To that dry drudgery at the desk's dead wood?

Werk
Wie heeft het werken uitgevonden en
de vrije, speelse geest veroordeeld tot
de kwelling van het eeuwig moeten,
tot buiten in de grond te wroeten,
tot ploegen, weven, smeden en tot - o!
het dor geploeter aan een dood houten bureau?
- Charles Lamb (vert. Thijs Bartels)

Het wordt vandaag 16 graden en de zon schijnt de hele dag. Het is maar een hint.

Posted by jaeggi at 11:01 pm

douchekop zevert

Een gezellige recensie van de nieuwste bundel van Joost Zwagerman staat hier.

Posted by jaeggi at 10:55 pm

18 maart 2005

kind, wat heb jij een mooie kut

De afgelopen weken kwam een paar keer de vraag bovendrijven: waarom wordt er niet ook een Nederlandse Bad Sex Award uitgereikt, een prijs voor de slechtste sex-scène?
Het zou inderdaad tijd worden.
Nederlandse schrijvers kunnen er namelijk helemaal niks van, in bed. Sex in Nederlandse romans komt neer op vrijen met Ronald McDonald: je aarzelt de hele tijd tussen hysterisch giechelen of snel een hete douche nemen om de vettigheid van je af te spoelen.
Zelfs de grootmeester van het Nederlandse neuken, Jan Wolkers, komt niet verder meer dan een amechtig (nu al een legendarische zin): 'Kind, wat heb jij een mooie kut.' Stel je even voor dat iemand het tegen je zegt.
Maar niet alleen bejaarde schrijvers als Wolkers hebben last van literaire potentieproblemen of een droge schoot: ook jongere schrijvers hebben er last van. Hier een citaat uit een stuk dat ik een paar jaar geleden schreef voor de Groene Amsterdammer: 'We waren al wereldkampioen pijltjesgooien, het Nederlandse koppel stijldansen (Latijns/Amerikaans) heeft de buitenlandse concurrentie alle hoeken van de vloer laten zien, en dit jaar worden we vast en zeker ook wereldkampioen 'Slechtste literaire sex-scène van het jaar schrijven'. Uit de roman Meestal vergaat de wereld om 9.00 uur, komt deze grote kanshebber:
'Branco komt nu met een ander ondeugend voorstel. "Zul-len we anders standje 69 doen?" Ik ken inmiddels 44-en, maar 69-en is mij tot op heden onbekend. Daar gaat mijn glansrijke rol van ervaren minnares. Branco neemt de leiding: "Draai je om." Ik zit omgekeerd op zijn buik, een beetje als Dik Trom op de ezel. "Schuif verder door, nog iets verder. Daar ja. Buig je voorover." Ik voel hem aan me likken. Beffen, befte, gebeft. Van mij wordt hetzelfde verwacht. Ik word misselijk. Ik zie de camera, ik ruik aarsgeuren. Ik geef een korte lik aan zijn eikel als aan een ijsje waarvan je de smaak niet kent. Dan sta ik op, ren naakt naar de wc en haal nog net de pot om de maaltijd en de ellende van vanavond eruit te gooien.'
O, jummie! Kat in het bakkie. Sinds Jan Cremer's smeulende alinea's over de flipstand hebben we niet meer zo'n kanshebber gehad. Christie Hofmeester heet ze, ze volgt haar opleiding aan de school voor journalistiek, en wie durft er nu nog beweren dat die opleiding niets waard is? Je leert er keurig de vervoeging van het werkwoord 'beffen', je krijgt alle ins and outs van de literaire vergelijking (bijvoorbeeld dat je heel anders likt aan een ijsje waarvan je de smaak niet kent dan aan een ijsje waarvan je al wéét dat het naar mokka met harde stukjes smaakt), je doet tentamen Aarsgeuren (Diverse) en je leest Nederlandse klassiekers als Dik Trom en de Ezel.
Het enige dat misschien roet in het eten gooit, straks in de finale, is de verwarring over het begrip 'beffen'. Ik zie het triomfantelijke smoel van het Franse jurylid al voor me, als hij opstaat: 'Non en nog eens non, messieurs, alleen een vrouw kan gebeven worden, bij mannen is dit onmogelijk. Lisez-vous, het staat hier overduidelijk. Madame wordt gebeft, par monsieur, en zij denkt: "Van mij wordt hetzelfde verwacht." Een man kan hoog springen en laag springen, gebeven worden is er voor hem niet bij. Jamais!'

Kan het nog slechter? Vast wel.
Kanshebbers mailen naar slechtesex@jaeggi.nl

Posted by jaeggi at 09:45 am

16 maart 2005

het kan nu niet lang meer duren

Vanochtend voor het eerst zonder jas buiten gefietst. Wel nog met een trui aan, maar toch. Het rook lieflijk naar uitlaatgassen en zelfs het schelden van de chauffeur die mij sneed en die ik de vinger gaf, had een roze randje.
Ter hoogte van de Raadhuisstraat kwam me een hommel tegemoet. We wisten elkaar maar net te onwijken, door hard zigzaggen. Verbaasd keek ik hem na over mijn schouder. Hij keek terug. Dat had hij niet moeten doen, want zo vloog hij door het rode licht en werd midden op de Raadhuisstraat geplet tegen de voorruit van een voorbijrazende Connexxion-stadsbus.
De lente komt!

Posted by jaeggi at 09:48 am

14 maart 2005

vrouwen komen misschien niet van Venus, maar zeker niet van de aarde

Er zijn diverse goede redenen om je vrouw trouw te blijven, maar de beste is toch wel dat de vrouw met wie je vreemd gaat meteen de telefoon pakt zodra jij het overspelige bed hebt verlaten.
‘En?’
‘Nou, hij is net klaar. Staat hiernaast te hannesen met zijn schoenen. Hij probeert zo stil mogelijk te doen, om mij niet wakker te maken.’
‘De lafaard.’
‘Ach, dat doen ze toch allemaal. Hij sluipt nu door de gang… En dat is de voordeur. Hèhè. Dat is ook weer achter de rug. Ik hoor nu zijn auto starten. Dus hij zal over een halfuurtje wel bij je zijn.’
‘Hoe ging het?’
‘De seks bedoel je?’
‘Nee, daarvoor.’
‘O. Nou, eigenlijk precies zoals je al voorspeld had. Eerst deed hij een beetje moeilijk, zo van ik zit helemaal niet op jou te wachten, maar toen ik om een vuurtje vroeg en zijn hand vastpakte en diep in zijn ogen keek was hij snel verkocht.’
‘Shit zeg. Zo snel?’
‘Ja, sorry schat. Ik had ook niet gedacht dat het zo makkelijk zou gaan. Hij zag er zo beschaafd uit, met dat pak en die stropdas. En hij heeft leuk haar. En en aardige lach. Maar waar had ik het nou over?’
‘Hij gaf je een vuurtje.’
‘O ja! Nou, krap twee uur later lag hij bovenop me.’
‘Jullie hebben toch wel een condoom gebruikt?’
‘Natuurlijk, wat denk je. Maar ik moest hem van me afduwen voor hij bereid was ze om te doen. Hallo? Ben je daar nog? Schat, zit je nou te janken? Niet doen hoor, voor zo’n klootzak.’
‘Ik jank niet.’
‘Goed zo. Het is maar een vent, moet je denken. Het zit in hun genen. Ze denken met hun ballen.’
‘Dat weet ik wel, maar… Ik had zo gehoopt… Bij hem…’
‘Schat, ik weet precies wat je bedoelt. Hoe vaak ik niet thuis op de bak naast de telefoon heb zitten wachten. Deze is anders, deze houdt echt van me. Dat kennen we toch allemaal? Maar laat je nou niet kennen, veeg die snotneus af en zorg dat hij niks merkt als hij straks thuiskomt.’
‘Nee… Nee… Je hebt gelijk. Ik moet sterk zijn…’
‘Dus wat ga je nou doen straks?’
‘Eerst ga ik hem helemaal uitwonen. Zodra hij binnenkomt bespring ik hem.’
‘Precies. Dat vinden ze vreselijk. Raken ze totaal van in de war.’
‘Ik geloof dat ik zijn auto al hoor.’
‘Dan heeft hij hard gereden. Zeker last van wroeging.’
‘Ik ga je ophangen.’
‘Is goed schat. Veel sterkte. Je bent toch niet boos op me?’
‘Nee, hoe kom je daar bij? Dit hadden we toch afgesproken met zijn allen?’
‘Dan is het goed. Als je andere meiden niet meer kunt vertrouwen, wie dan wel? Doe-doeg.’
‘Doe-hoeg.’

Heb ik bewijzen voor deze complottheorie? Nee, behalve het opmerkelijke feit dat je eigen vrouw áltijd seks wil als jij thuiskomt van een nachtelijke escapade (zelfs als er niks is gebeurt en je alleen maar in gedachten overspelig bent geweest wil ze je ineens bespringen – terwijl jij nog met een andere vrouw in je hoofd zit). En het kan geen toeval zijn dat vrouwen in de schuldige weken na je overspel ineens zo aardig zijn. Ze ruimt zonder morren de onderbroeken en sokken op die jij op de grond laat vallen. Ze verblikt of verbloost niet als jij het laaste wc-papiertje gebruikt hebt en geen nieuwe rol op de houder hebt gedaan. Ze wil zelfs bepaalde dingen in bed die ze vroeger nooit wilde, en waarvan jij zeker weet dat ze ze echt niet voor haar plezier doet. Jullie verhouding zou waarlijk ideaal zijn als je je niet de hele tijd zo verdomd schuldig voelde. En omdat al die liefde zwaar op je drukt vertel je het dan maar, op een avond.
Eén ding moet je ze nageven: ze weten de verbazing en de boosheid goed te spelen, als je nagaat dat ze het allang wisten. Ze zetten het hysterische verdriet nog eens lekker vet aan en voor je het weet heb je in paniek beloofd om de rest van jullie leven de vuilniszakken buiten te zetten en nooit maar dan ook nooit meer je rugbyteam mee naar huis te nemen na een wedstrijd.
Als ze maar bij je blijft.

Posted by jaeggi at 11:39 am

11 maart 2005

tenen als prijskomkommers

Dit is de volledige versie van het - iets ingekorte - artikel dat vandaag op de Forum-pagina van de Volkskrant is gepubliceerd. Het is een antwoord op het stuk van Arjan Peters in de Volkskrant van 7 maart. De discussie over de Gouden Doerian wordt hiermee afgesloten, in elk geval op dit weblog. Volgend jaar verder.

Arjan Peters heeft natuurlijk gelijk. Het instellen van een prijs voor de slechtste Nederlandse roman, de Gouden Doerian, was een aardig initiatief. Hij heeft ook gelijk als hij zegt dat de eerste uitreiking niet vlekkeloos is verlopen. Hij heeft gelijk als hij zegt dat het niveau van de kritiek die de jury kreeg zeer laag was. En hij heeft overdonderend gelijk als hij zegt dat de volgende Gouden Doerian een kritische jury verdient, die haar werk naar behoren doet.
De Gouden Doerian heeft de nodige opschudding veroorzaakt. Literaire boeken werden hard en zonder eerbied behandeld, schrijvers schoten in een stuip en vergeleken de juryleden met nazi-kopstukken, juryleden stapten op en de Gouden Doerian voor het slechtste boek werd uiteindelijk niet uitgereikt. Arjan Peters heeft wel enige reden om te beweren dat het niet allemaal vlekkeloos is verlopen.
Er zijn ook enkele dingen waarin Peters geen gelijk heeft. Peters stelt dat deze jury, die bestond uit drie vooraanstaande critici (Jeroen Vullings van Vrij Nederland, Maarten Moll van Het Parool en Michaël Zeeman van De Volkskrant), een van de beste boekhandelaren van Amsterdam (Jaap van Straalen) en een schrijver die tevens acht jaar bij diverse uitgeverijen als redacteur werkte (Adriaan Jaeggi) niet op haar taak berekend was. Als dat zo is ben ik benieuwd bij wie hij wel de benodigde expertise hoopt te vinden om zo’n prijs uit te reiken. De meeste oud-politici hebben dat helaas al eens gedaan.
Peters’ suggestie dat het juryrapport vol zou zitten met fouten is kinderachtig. Als de twee betwistbare voorbeelden die hij aanhaalt de enige zijn die hij bij elkaar heeft kunnen schrapen uit de overvloedige jury-rapportage, dan heeft de jury van de Doerian haar werk nog altijd een stuk beter gedaan dan de redacteuren van de meeste boeken die op de shortlist stonden, en ook een stuk beter dan de redacteur van de Volkskrant die de tautologie ‘individueel gekapitteld’ in Peters’ stuk liet staan.
Als Peters stelt dat de jury ‘zich de mond heeft laten snoeren’ door de reacties van o.a. Joost Zwagerman en Leon de Winter heeft hij ook geen gelijk. Er is geen sprake van de mond snoeren – Peters schrijft zelf dat de juryleden het doel van hun prijs ‘her en der in kranten en weekbladen’ hebben kunnen toelichten. Maar belangrijker nog: het staat een jury vrij om een prijs niet uit te reiken, als zij dit verkiest. Deze jury vond dat de gedachte achter de prijs – het signaleren van een groeiend aantal slecht geschreven en slecht begeleide boeken – niet gediend was met de uitreiking door een onvolledige jury. Als een prijs als de Doerian ondergesneeuwd dreigt te raken door gekrakeel van schrijvers met een ego ter grootte van de Oosterscheldedam en tenen met de lengte van prijskomkommers, dan moet een jury niet haar eigen zin doordrijven, maar het doel van de prijs in het oog houden.
Dat doel is grotendeels bereikt: de Gouden Doerian-jury heeft binnen een maand een prijs in het leven geroepen waar ongemeen fel over gediscussieerd werd. Maar de jury is niet blind voor eigen fouten. Zij is zich ervan bewust dat zij, door enthousiasme gedreven, in het begin te hard van stapel is gelopen. Het verwijt dat er tamelijk ongenuanceerd op boeken werd ingehakt mag gelden voor de longlist. Maar die longlist gelijkstellen met de later gepubliceerde shortlist – waarin dieper wordt ingegaan op de tekortkomingen van genomineerde boeken, redacteuren en uitgevers – is dan weer appels met peren vergelijken. Op de shortlist van de Gouden Doerian worden géén persoonlijke aanvallen gepleegd (zoals iedereen kan controleren op dit weblog), maar probeert de jury na te gaan wáár in het hele proces van schrijver tot boekhandel het is misgegaan. Op de jurymotivatie bij de shortlist is tot nu toe dan ook geen kritiek van belang geweest.
Tot slot mag de kritiek op de ondoorzichtige jury-procedure iets genuanceerd worden. De indruk is gewekt dat de longlist zonder overleg is samengesteld. Dit is bezijden de waarheid. De procedure ging als volgt: alle juryleden hebben een aantal boeken genomineerd. Daarnaast zijn uit het publiek een stuk of twintig nominaties voor slechte boeken gekomen. De boeken die het vaakst genoemd werden, en de boeken waarvoor een volgens de jury steekhoudende motivatie werd gegeven, zijn op de longlist terechtgekomen. Misschien een aanvechtbare procedure, maar wel duidelijk.
Alle juryleden hebben vervolgens de longlist van tevoren gemaild gekregen met het verzoek erop te reageren. Bij uitblijven van reactie zou worden aangenomen dat het jurylid het ermee eens was.
Ook Jeroen Vullings, het eerste jurylid dat opstapte, heeft de longlist vóór publicatie gemaild gekregen. Hij heeft hem alleen niet gezien omdat hij op vakantie ging. Deze aanstaande vakantie had hij bij zijn aanvaarding van het jurylidnaatschap niet gemeld. Dat hij bij terugkomst twee boeken op de longlist aantrof die hij in Vrij Nederland positief had besproken was dus niet een fout van de jury, maar van een jurylid. Hopelijk is daarmee ook het bizarre gerucht uit de wereld dat de Gouden Doerian enkel werd ingesteld om enkele vrouwelijke schrijvers dwars te zitten.
De vraag die overblijft na al deze gelijkhebberij: is de Nederlandse Boekenwereld geholpen met dit initiatief? Arjan Peters geeft zelf het antwoord: er zijn slechte boeken genoeg, en dus moet er volgend jaar opnieuw een Doerian-jury komen: kritische lezers die beroerde romans fileren, met een stalen gezicht, zonder genade.
Ook dáár heeft Arjan Peters gelijk in.


Posted by jaeggi at 09:46 am

10 maart 2005

zand in je typemachine

De ooit beroemde altsaxofonist Paul Desmond (van wie gezegd werd dat hij klonk als een dry martini) van het nog beroemdere Dave Brubeck Quartet (Take Five, Blue Rondo a la Turk - daar neukten mijn ouders op) was geen aardige man.
Maar wat heb je aan aardig?
Uit zijn uitspraken in interviews (met dank aan Floris Tilanus) blijkt: Paul Desmond was de Scott Fitzgerald van de jazz.

'I was unfashionable before anyone knew who I was.'

Desmond studeerde Engels. Hij werd geen schrijver omdat: 'I could only write at the beach, and I kept getting sand in my typewriter.'

'Writing is like jazz. It can be learned, but it can't be taught.'

Over contactlenzen: 'Not for me. If I want to tune everybody out, I just take off my glasses and enjoy the haze.'

Over de muziek van Ornette Coleman: 'It's like living in a house where everything's painted red.'

Posted by jaeggi at 02:21 pm

09 maart 2005

die vette band van gisteravond op tv!

Voor wie het bal gemist heeft: vanavond speelt de Band van het Bal, Naar Tevredenheid & de Hipvergrijp Hoornsectie, bij PaPaul.
Ze spelen hun aanstaande tophit Teder lied, naar een gedicht van Rilke, in een vertaling van Menno Wigman.

Posted by jaeggi at 12:21 pm

laatste hapjes doerian

Vooruit, we gaan nog heel even door met de discussie over de Gouden Doerian. Tot a.s. vrijdag, daarna gaan we weer wat anders zinvols doen. Deze reactie kreeg ik van de uitreikers van de Gouden Tomaat.
Ja, die bestaat.

Reik uit, die Gouden Doerian!
Gisteravond zou tijdens een feestelijke uitreiking bekend worden gemaakt welk boek zich mag sieren met de de titel ‘slechtste boek van het jaar’. Ik weet niet of de genomineerde schrijvers al een kaartje voor het Bal der Geweigerden op zak hadden, maar het zal niet zonder een licht gevoel van opluchting zijn dat zij het bericht lazen dat de eerste uitreiking van de Gouden Doerian werd afgelast. De jury zou zich ‘ongeloofwaardig’ hebben gemaakt en legde met een friszuur afscheidsstukje en een shortlist haar taak neer. En dat is jammer, want op de redactie van Moose, de uitreiker van de Gouden Tomaat, de publieksprijs voor de slechtste theatervoorstelling van het seizoen, voelden we een zielsverwantschap met de organisatoren.
Onze Gouden Tomaat heeft zich nooit in de media-belangstelling mogen verheugen die de Doerian ten deel is gevallen, maar heeft zich in de loop der jaren wel ontwikkeld tot een niet meer weg te denken onderscheiding in het welgevulde prijzenfirmament van het Nederlands theater. Wat meer in de luwte heeft Moose de gelegenheid gehad om de argumenten voor een prijs voor slechte kunst op scherp te stellen. Deze argumenten gelden volgens mij ook voor de Gouden Doerian.
Moose heeft er altijd voor gewaakt om een instrument van critici en recensenten te worden. Ook de Gouden Tomaat is in de eerste plaats een prijs van het publiek. De verhouding tussen kunstenaars en critici zijn de afgelopen jaren op z’n zachtst gezegd minder ontspannen geworden en de recensent met een negatief oordeel wordt steeds vaker aangevallen op zijn of haar integriteit, zoals in dit geval Michaël Zeeman aangevallen werd door Joost Zwagerman. Bovendien sprak de Doerian-jury sprak al snel grote woorden over De Nederlandse Literatuur om zich daarna te verliezen in muggenzifterij over slecht geredigeerde boeken. In de discussie rondom de prijs is het zelden gegaan over de eindgebruiker in dit proces: de lezer. Dit is een gemiste kans. Nederland leest vanuit professie, pure liefhebberij of een combinatie van beide grote hoeveelheden boeken en volgt het actuele aanbod van Nederlandse literatuur. De heavy users – studenten, bibliothecarissen, boekhandelaren, lezers van literaire tijdschriften, leraren Nederlands, leeskringleden - zien zich jaarlijks geconfronteerd met een onafzienbare lading nieuwe boeken. Juist deze veelgebruikers merken door ervaring dat er veel kaf is tussen het koren. Door hen een stem te geven zal De Gouden Doerian veel aan legitimiteit winnen.
Een tweede ding dat Moose altijd benadrukt heeft, is de kwaliteit van een slechte voorstelling: slecht theater roept emoties op en is geweldige stof voor conversatie. Voor literatuur geldt iets dergelijks: de woede, ergernis en gêne die je bekruipt bij het lezen van onafzienbare hoeveelheden stoplappen, bordkartonnen personages en onbedoeld lachwekkende sexscènes is eigenlijk een kwaliteit op zich. Bij film wordt deze kwaliteit al onderkend. Er zijn in Nederland diverse gelegenheden, festivals en clubjes die louter films van bedroevende kwaliteit tonen en bekijken. Waarom zou deze camp-factor niet kunnen worden aangesproken in de literatuur? Door de kwaliteit van slechte voorstellingen te benadrukken bestaat de lijst nominaties voor de Gouden Tomaat ook niet uit nietszeggende, zinloze voorstellingen van voorzichtige makers, maar juist uit overmatig ambitieuze projecten of uit de bocht gevlogen experimenten van gerenommeerde namen. Daardoor is de Gouden Tomaat voor theatermakers ook een geuzenprijs geworden, die de meeste winnaars –zij het met de glimlach van een boer met kiespijn- in ontvangst komen nemen. De Nederlandse literatuur verdient zo’n Doerian: een prijs voor schrijvers die durven, maar de plank hebben misgeslagen.
Boven alles zijn de Gouden Doerian en de Gouden Tomaat prijzen over prijzen. Als er alleen al in Nederlans al zo’n dertig literatuurprijzen en zo’n vijftig toneelprijzen zijn die meer en meer worden ingezet als een stukje collectieve marketing voor de sector, dan lijkt me een klein beetje tegenwicht tegen al dat moois niet ongerechtvaardigd. Het zijn twee prijzen die hun belang ontlenen aan het feit dat niemand baat heeft bij de uitslag (tenzij u werkelijk gelooft dat het levensdoel van Michaël Zeeman bestaat uit het zwartmaken van Jessica Durlacher). Sterker nog: de moeite die de organisatoren zich getroosten om zo’n prijs op te zetten en in stand te houden kan alleen verklaard worden uit een diepe liefde voor de kunst.
Tenslotte is het ook gewoon een kwestie van wennen. Een prijs voor slechte kunst heeft zich pas definitief een plek verworven als de discussie niet langer over de prijs gaat, maar over de winnaar. De Gouden Doerian kan dat alleen bereiken door jaar na jaar uitgereikt te worden.

Simon van den Berg
Simon van den Berg is redacteur van theaterwebsite Moose

Posted by jaeggi at 11:37 am

08 maart 2005

de setlist (geheim)

Ik geef u hierbij, op voorwaarde dat het strikt geheim blijft, de setlists voor het Bal der Geweigerden, vanavond. Dit mocht eigenlijk vanavond in Paradiso pas bekend worden, dus mondje dicht!
Mijn favorieten zitten aan het begin en eind van het programma: stemkunstenaar Han Buhrs met Palinckx, Eus (ga die man zien!) en Erik Jan Harmens. En F Punt Starik natuurlijk. O, en Rosita! En Menno Wigman niet te vergeten! En... en...


Programma Bovenzaal Paradiso

MC’s: Carel Helder & Adriaan Jaeggi
Muziek: Naar Tevredenheid & de Hipvergrijp Hoornsectie

21.00 Live uitzending van VPRO’s Music Hall met o.a. Maria Barnas, Eus, Erik Jan Harmens, Micha Wertheim en Palinckx.

Eerste set (tijden zijn bij benadering)
22.00 Naar Tevredenheid
22.10 Stijn Aerden
22.20 Vrouwkje Tuinman
22.30 Eus
(evt) Ingmar Heytze
22.40 F. Starik
22.50 Peter Middendorp

Tweede set
23.00 Naar Tevredenheid
23.10 Jan Baeke
23.20 Mustafa Stitou
23.30 Maya Rasker
23.40 Maria Goos

Derde set
23.50 Naar Tevredenheid
24.00 Rosita Steenbeek
00.10 Menno Wigman
00.20 Han Buhrs
00.30 Alfred Schaffer

Vierde set
00.40 Naar Tevredenheid
00.50 Tommy Wieringa
01.00 Adriaan Jaeggi
01.10 Erik Jan Harmens
01.25: Einde


Posted by jaeggi at 10:00 am

05 maart 2005

nog meer tips om het boekenbal binnen te komen

Morgen is het Boekenbal. Voor wie graag wil rondlopen tussen de redacteurs, uitgevers en Harry Mulisch, hier een laatste tip: koop een kaartje voor het Bal der Geweigerden.
Loop bij binnenkomst meteen de trap op naar de bovenzaal, waar de schrijvers optreden. Stel u recht voor het podium op en wacht geduldig.
Diverse schrijvers hebben aangekondigd na afloop van hun optreden hun kaarten voor het Andere Boekenbal de zaal in te gooien.
Als u geluk hebt (en goed kunt vangen) profiteert u van twee Ballen voor één prijs.
Veel plezier!

(NB Voor het Bal der Geweigerden zijn nog ongeveer 120 kaarten te koop)

Posted by jaeggi at 03:07 pm

reactie Ingmar Heytze op deurbeleid CPNB

Ontnodigd

Van sommige gebeurtenissen vraag je je af waarom ze in godsnaam nieuws zijn. Zo pikten de meeste kranten begin deze week een miniatuurrelletje in letterenland op: het intrekken van de uitnodiging (wellicht past hier de introductie van een nieuw werkwoord: ‘ontnodigen’) van een aantal auteurs voor het Boekenbal. De stichting CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek), die het Boekenbal organiseert, heeft de schrijvers die optreden op het zogenaamde Bal der Geweigerden in Paradiso ontnodigd. Voor niet ingewijden: de CPNB is een organisatie die op haar website weergaloos nuttige informatie geeft over de verkoopcijfers van typisch Nederlandse titels als Harry Potter en de Orde van de Feniks en De Da Vinci code.
Het Bal der Geweigerden, volgens Hanneke Groenteman ‘een beetje een non-bal voor non-genodigden’, is een alternatief boekenbal met een uitgebreid programma van optredende auteurs en cabaretiers. Omdat het Bal der Geweigerden plaatsvindt in Paradiso, op een steenworp afstand van het Boekenbal, is het goed mogelijk om je aandacht over beide ballen te verdelen – gesteld dat je was uitgenodigd voor dat Boekenbal en niet bent ontnodigd omdat je misschien ook een paar uur wil rondlopen op een evenement waar wél aandacht voor schrijvers is.
Het Boekenbal. Laat ik eerlijk toegeven dat ik er één keer van mijn leven ben geweest, in 1998. Het was geen avond om over naar huis te schrijven, maar dat kan goed aan mij hebben gelegen. Ik ben geneigd om me niet erg op mijn gemak te voelen als ik me niet in of vlakbij Utrecht bevind. Afgezien daarvan sluit ik me aan bij de hoofdpersoon uit Ronald Gipharts Giph: ‘Zo’n boekenbal is mij al met al te Amsterdam, te interessant, te ingroep, te ons kent ons.’
Wat is er nu zo aantrekkelijk aan het Boekenbal? Vooral de zorgvuldig gecultiveerde illusie dat het Echt Heel Bijzonder is als je daarvoor wordt uitgenodigd. In werkelijkheid is dat natuurlijk kul. Wie loopt er helemaal rond op het Boekenbal? Heel veel schrijvers, denkt u misschien. Dat heeft u fout gedacht. Volgens Henk Kraima, directeur van de CPNB, is het Boekenbal ‘Een feest voor de gehele boekenbranche, dus niet alleen voor auteurs.’ Eenderde van de kaarten gaat naar schrijvers: ‘Dat zijn er tweehonderd.’ Wie mogen die andere vierhonderd bezoekers dan wel zijn? Winterschilders? Kamerleden? Groenteboeren? Nee, uitgevers natuurlijk. En boekhandelaren. Dat hoop ik tenminste.
In totaal zullen slechts zes auteurs op beide Ballen hun opwachting maken: Vrouwkje Tuinman, Tommy Wieringa, Erik Jan Harmens, Menno Wigman, Mustafa Stitou en Rosita Steenbeek. Dat is dus precies één procent van het totaal aantal genodigden. Volgens Kraima zijn die schrijvers ‘wel een beetje egoïstisch. Ze blokkeren in feite de toegang van anderen.’ Zo, die zit. Zes verdomde zelfzuchtigen die het allemaal weer volkomen verpesten voor die 594 andere, eerzame mensen uit het boekenvak, die nu al wakker liggen van vragen als: ‘Met wie waag ik mijn eerste dans?’ en ‘Waar haal ik in vredesnaam een gouden outfit vandaan om aan de dresscode te voldoen?’
Om de illusie van de Goddelijke Genodigdheid in stand te houden, wordt zelfs de publieke vernedering niet geschuwd. In NRC Handelsblad van maandag j.l. stond een artikeltje waarin te lezen viel: ‘De CPNB heeft na smeekbedes van Vrouwkje Tuinman en Menno Wigman vanmorgen alsnog kaarten voor deze auteurs beschikbaar gesteld.’ Nu ken ik deze schrijvers toevallig. Ik weet uit de eerste en de tweede hand dat zij geen van beiden om kaarten voor het Boekenbal hebben gesmeekt. Ze vroegen zich alleen af waarom ze eerst werden uitgenodigd, en vervolgens werden ontnodigd omdat ze vooraf andere verplichtingen hadden, zodat ze pas na het openingsprogramma zouden verschijnen. Bij andere bezoekers vindt de CPNB dat namelijk ook geen probleem – je kunt van tevoren gewoon aangeven of je wel of niet bij dat programma aanwezig bent. Na een zwart op wit gedrukte leugen van deze botheid zou ik persoonlijk niet meer dood willen worden gevonden op het kutfeest van Kraima. Naar de lommerd met die gouden jurk!

Ingmar Heytze

(Dit stuk werd gisteren gepubliceerd in het Utrechts Nieuwsblad)

Posted by jaeggi at 03:04 pm

04 maart 2005

Liever schelden dan debatteren - de waardevolle lessen van de eerste Gouden Doerian

In Nederland worden ieder jaar talrijke prijzen toegekend voor het beste boek van het jaar. Ettelijke jury’s buigen zich over de honderden literaire werken die ieder jaar verschijnen en kiezen het boek dat in hun ogen voor het beste door kan gaan. Die prijzen en bekroningen roepen aandacht op in de media, en in de boekhandel krijgen de uitverkoren werken extra aandacht. Vooral het nominatie-systeem (eerst de longlist, dan de shortlist) wakkert de discussie over de Nederlandse literatuur aan: waar vergeleken kan worden, kan gewogen en geoordeeld worden.
Door al die drukte kan de indruk ontstaan dat het uitbundig goed gaat met de Nederlandse literatuur. Er is veel media-aandacht voor de toppen van die literatuur. De argeloze lezer raakt ervan overtuigd dat de Nederlandse letteren een bloeitijd doormaken, omdat er sprake is van een ongekend aantal hoogtepunten.
Dat valt in werkelijkheid tegen. Waar toppen zijn, zijn immers ook dalen. Die mogen dan geen speciale aandacht krijgen, belangrijk zijn ze wel: ze beheersen een cultuur en een smaak - en ze zijn steeds vaker het gevolg van recente ontwikkelingen in de Nederlandse literaire uitgeverij. Het groeiend aantal slechte en en slordig uitgegeven boeken in de Nederlandse literatuur heeft bovendien invloed op wat jaarlijks als ‘het beste’ wordt uitverkoren. De inflatie van wat als ‘goed’ wordt gepresenteerd zorgt ook voor inflatie van smaak en oordeel. Bovendien vertroebelt het grote aantal onvoldragen boeken het zicht op boeken – vaak van minder bekende schrijvers – die het verdienen ook als hoogtepunt te worden ontdekt.
Het is om die redenen dat, op initiatief van een van ons en met hartelijke en toegewijde medewerking van de anderen, de ‘Gouden Doerian’ werd ingesteld, de prijs voor het beroerdste boek dat het afgelopen jaar in het Nederlands verscheen. De jury wilde daarmee de discussie over het peil van de literatuur en het literair bedrijf in Nederland aanzwengelen. Het gaat immers niet goed in de Nederlandse boekenwereld: veel literaire uitgeverijen hebben het zwaar of sterven ineens af (Meulenhoff!). Bij andere is de redactie hoogst instabiel: de ene na de andere fondsredacteur loopt weg of raakt duurzaam overspannen. Daardoor daalt het niveau van de boeken en van de redactie op de boeken dramatisch, op zodanige wijze dat het lezen ervan een bezoeking wordt. Dit heeft weer directe gevolgen voor degenen die afhankelijk zijn van de verkoop van boeken: schrijvers en boekhandelaren. Volgens de jury van de Gouden Doerian verkeert de Nederlandse literaire boekenwereld in een staat van ontkenning omtrent de ernst van de toestand: er verschijnen al té lang té veel té slechte boeken. Daarom stelden wij de Gouden Doerian in - en uitdrukkelijk niet om individuele schrijvers aan de schandpaal te nagelen.
De reacties waren niet mals. De jury-voorzitter, Michaël Zeeman, werd door Leon de Winter, nooit te beroerd om een saluut aan de Tweede Wereldoorlog te brengen, meteen maar met Joseph Goebbels vergeleken. Hanneke Groenteman verslikte zich in haar snoepgoed, ‘spuugde op de grond op dat hele initiatief van die Doerian, zette haar hak erop en draaide heel hard’. Freek de Jonge brieste over ‘Pubers... Mislukkelingen... Kruimeldieven...’ en Joost Zwagerman ontwarde een complot van proporties waarbij het Englandspiel kinderspel geweest is. Eén ding kan men over de toekenning van de eerste Gouden Doerian niet zeggen: dat het de Nederlandse literatuur onberoerd heeft gelaten.
Natuurlijk hadden wij als juryleden erop gerekend pijnlijke bezeerdheid bij auteurs en bij hun op slordigheid en onachtzaamheid betrapte literaire uitgevers bloot te leggen. We hadden er zelfs op gehoopt: zo zouden wij een discussie hebben aangezwengeld, aan de hand van voorbeelden, over de pijnlijke gevolgen van overproductie en zelf-felicitatie in de Nederlandse literaire monde.
Wat de jury niet had verwacht, was dat zij vergeleken zou worden met nazi’s. Net zomin had zij gerekend op een serie paranoïde verdachtmakingen, onfrisse argumenten en onzindelijke redeneringen. De discussie had al snel het niveau van een stel dronkelappen die na sluitingstijd op straat gebroederlijk de kastelein uitkafferen.
Een steeds terugkerend verwijt was dat het hier zou gaan om een clubje kwajongens dat een lolletje wilde beleven. Volgens oud-Plantage-presentatrice Hanneke Groenteman ging het hier om ‘keldergeleerden’, hoogleraar Elsbeth Etty had het over ‘een hoog Propria Cures-gehalte’ (kennelijk bedoeld als scheldwoord), en Leon de Winter had het over ‘literaire masturbanten’.
Waren de juryleden van de Gouden Doerian werkelijk zo onvolwassen?
Michaël Zeeman is al jaren een toonaangevend criticus in Nederland, presenteerde bijna tien jaar lang het belangrijkste discussie-programma over literatuur op televisie en schreef twee dichtbundels en een verhalenbundel; Maarten Moll is chef Boeken van Het Parool, en alle Nederlandse fictie die in een jaar wordt geproduceerd, passeert zijn bureau; Jaap van Straalen is een van de beste boekhandelaren van Amsterdam; Jeroen Vullings is chef van de Republiek der letteren van Vrij Nederland; Adriaan Jaeggi was 6 jaar redacteur van Thomas Rap en 2 jaar van Thomas Rap/De Bezige Bij, is criticus van Het Parool en schrijver van twee romans en twee dichtbundels.
Hoe deskundig moet je zijn om bevoegd geacht te worden als jury? Moet je inderdaad politicus in ruste zijn om overtuigend een literaire jury te kunnen voorzitten?
Als er niet gescholden werd, werd geprobeerd de jury monddood te maken. Leon De Winter richtte in Elsevier en Boekblad zijn pijlen op de boekhandelaar in de jury: ‘Alles wat verschijnt moet hem lief zijn, want hij moet ervan uitgaan dat in elk boek kwaliteit steekt, ook als hij die zelf niet kan onderscheiden. Van Straalen mag zijn voorkeuren uitspreken, maar zijn afkeuren dient hij voor zich te houden’. Kortom, alleen zeggen dat je alles goed vindt, boeken verkopen - en verder je smoel houden.
Joost Zwagerman deed het twee weken later nog eens dunnetjes over en riep in NRC-Handelsblad op tot een kopersstaking bij dezelfde boekhandelaar: ‘Als klant hoef ik voortaan geen boeken meer te kopen bij deze boekhandelaar.’ Overigens heeft Joost Zwagerman nog nooit een boek gekocht bij genoemde boekhandelaar.
Bij zoveel inspanning om niet alleen hemzelf, maar ook zijn bedrijf schade toe te brengen, werd het het boekhandelaar-jurylid te machtig. En dus stapte hij op. Eerder had ook al Jeroen Vullings, criticus van Vrij Nederland, toegegeven aan de zware druk die op jury en prijs werd uitgeoefend en zijn biezen gepakt.
En dus hadden wij een probleem: zou het nog geloofwaardig zijn als wij, met zijn drieën, toch de Gouden Doerian 2005 zouden uitreiken?
Wij hebben overwogen nieuwe, vervangende juryleden te zoeken. Maar een opgelapte jury is geen serieuze jury: Die nieuwe leden zouden noch het gesprek in de aanloop naar de longlist, noch dat ter vaststelling van de shortlist hebben gevoerd. Een opgelapte jury is niet verantwoordelijk te achten voor de uitslag.
Daarom presenteert de jury hierbij haar werk voorzover zij het heeft kunnen voltooien: de shortlist voor de Gouden Doerian 2005, de zes volgens haar slechtste boeken van het afgelopen jaar. Bij elk boek geeft zij haar motivatie (zie hieronder). En daarmee legt de jury haar taak neer. Verbaasd en licht ontgoocheld, dat wel. Zij had stevige kritiek verwacht, en een debat; niet dat het haar onmogelijk zou worden gemaakt de prijs uit te reiken. Ook in literaire kringen blijkt de onverdraagzaamheid te heersen die in Nederland steeds meer gewoon wordt, waarbij elke vorm van kritiek verdacht wordt gemaakt, de nuance als arrogant wordt beschouwd, en het debat als sfeerbederf. Zelfs schrijvers blijken schelden en tieren te verkiezen boven debatteren en analyseren.
Het zijn waardevolle lessen voor de jury van de Gouden Doerian 2006.

De jury van de Gouden Doerian 2005:
Michaël Zeeman (voorzitter)
Maarten Moll
Adriaan Jaeggi

Posted by jaeggi at 11:12 am

Juryrapport Gouden Doerian 2005

Clark Accord – Tussen Apoera en Oreala (Vassallucci)
Het meest treurig stemmend aan Clark Accord's roman Tussen Apoera en Oreala zijn de goede bedoelingen en de grote ambitie die er zo overduidelijk uit spreken. Accord heeft geprobeerd een ‘hartverscheurend liefdesverhaal’ te vertellen, ingekleurd met intrigerende exotische gebruiken vol symboliek, Surinaamse en indiaanse mystiek en betoverend natuurgeweld, en hij heeft ook nog geprobeerd een stuk Surinaamse geschiedenis tot leven te wekken, zoals hij eerder verdienstelijk deed in De koningin van Paramaribo. Des te tragischer is het dat hij in dit boek zo tekortschiet.
Het resultaat van al zijn inspanningen is een schare karakters met exotische namen - Hononokwa, Sathobang, Sasamali, Binali, Joerhi-tokorho, etc. - die plat op het papier blijven liggen, een hinderlijke zwerm van tokotsji’s, kasjiri, kanaima’s en cassavabrood die de lezer om het hoofd zoemt, een warrig verteld verhaal dat geen emotie opwekt dan verwarring, en een glimp van wat dit boek had kunnen zijn.
Wat dit boek tot een uitputtende krachtproef maakt – voor de lezer – is vooral Accords stijl. Die is, om het voorzichtig te zeggen, wat opsommerig. De schrijver heeft zich tot taak gesteld elk detail, elke stemming, elk ritueel, elke gedachte, elk volksverhaal, elke profetie, elk middagslaapje en elk ook maar even de kop opstekend onlustgevoel van zijn karakters uitvoerig te beschrijven, maar heeft verzuimd daar enige vorm van spanning in aan te brengen. Het resultaat is dat het boek grotendeels lijkt te zijn overgeschreven uit de kurkdroge onderzoeksverslagen van de indianen-inspectiecommissie voor Suriname en omstreken.
Zo maakt Accord geen enkel onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. Alles krijgt bij hem evenveel gewicht, ook een typische beschrijving als: ‘Hjarobang lag rustig in de hangmat te slapen. Die ochtend had ze het kind bij een min laten zogen, waardoor haar borsten als overrijpe broodvruchten vooruit stonden, klaar om bij de geringste aanraking hun witte vruchtsap naar buiten te persen. Als een fijnmazig netwerk waren de blauwe aderen onder haar huid zichtbaar. Niets aan haar gelaatsuidrukking deed vermoeden dat ze last had van de stuwing van haar borsten.’
Even afgezien van de opmerkelijke jungle-symboliek (interessante vraag: wat zou de reactie zijn op een niet-Surinaamse schrijver die de vergelijking ‘overrijpe broodvruchten’-’borsten’ op zijn repertoire zou nemen), en ook even afgezien van het feit dat de schrijver zelf midden in zijn metafoor broodvrucht en borst niet meer uit elkaar kan houden: waarom moet dit allemaal zo uitgebreid verteld worden? Want dit is nog maar een kwart van een beschrijving die in de handen van elke redelijk efficiënte schrijver niet meer dan twee regels zou beslaan. Dat is de schrijver aan te rekenen, maar in dit boek heeft de dienstdoende redacteur de schrijver ook lelijk in de steek gelaten. Had men het op de uitgeverij nu werkelijk zo druk dat niemand de schrijver kon vertellen dat ‘weldadigheid’ niet hetzelfde betekent als ‘liefdadigheid’(p. 24)? Had niemand de hand van de schrijver weg kunnen sturen van onbeholpen tangconstructies als: ‘Een luide kreet, die door de rivier werd meegenomen en tot ver over de boomtoppen die aan de oever zijn reis volgden weerklonk, ontsnapte aan zijn keel’? (p. 166). Had niemand hem kunnen behoeden voor onbeholpen onlogica als: ‘Niet wetend waar het verhaal naartoe moest leiden, nam hij haar woorden als een spons in zich op.’ Gevolgd door het deerniswekkende: ‘Hij vond het in elk geval een alleszins interessant verhaal.’
De redacteur die dit boek heeft begeleid zou door de rechter verboden moeten worden zich de komende jaren binnen een straal van tien kilometer van de schrijver te begeven. Het is mede zijn/haar schuld dat deze goedbedoelde poging van Accord op niets is uitgelopen.


Ad ten Bosch – Huidhonger (De Arbeiderspers)
De jury heeft geaarzeld of dit boek op de shortlist moest komen. Zo slecht is het nu ook weer niet.
Ten Bosch is een ervaren schrijver (Huidhonger is zijn vierde roman) die de moed een beetje lijkt te hebben verloren. Geen wonder: succes met zijn boeken is hem tot nu toe niet vergund geweest. Ten Bosch lijkt in deze roman maar een beetje aan te klooien, met een merkwaardig dubbel effect: zijn losse verteltrant maakt het tot een makkelijk leesbaar boek – het is in een avond uit te lezen – maar ook een al te makkelijk verteerbaar boek: het is diezelfde avond alweer uit het systeem en de herinnering verdwenen.
En dat terwijl het, blijkens de flaptekst, toch de bedoeling van de schrijver was een ‘buitengewoon zinnelijke, met grote zintuiglijke precisie geschreven liefdesroman’ te presenteren. Met ‘buitengewoon zinnelijk’ doelt de uitgever waarschijnlijk op een uitspraak als dit, waarbij de hoofdfiguur zijn gevoelens voor zijn nieuwe geliefde probeert uit te drukken: ‘de eerste nacht smolt ik als een klontje boter op jouw huid’. De schrijver probeert hier door middel van een hyperbool zijn grote passie uit te drukken, maar: een klontje boter? Is dat het beste wat zo’n vurige minnaar kan verzinnen? Geen wonder dat hij de bons krijgt.
Een passage die ‘met grote zintuiglijke precisie’ is opgeschreven is de volgende: ‘Gelukkig gaf ze bij harde seks de voorkeur aan op zijn hondjes, eerst vermoedde ik om zich daarbij ook nog door mij te laten vingeren, pas veel later begreep ik dat ze in die steming het liefst anaal genomen werd, want vingeren deed ze liever zelf.’
Dit is inderdaad redelijk precies genoteerd, niemand zal zich hierna nog afvragen welk lichaamsdeel zich in welke holte bevond, maar de eerste de beste handleiding voor een stofzuiger is liefdevoller geschreven.
In Huidhonger wordt gehint op jaloezie, bindingsangst, verdriet, maar geen enkele van die grote emoties vermag de lezer te raken, omdat het de schrijver zo overduidelijk ook niet veel kan schelen. Zijn vertellen ademt vermoeidheid, bijna verveeldheid, hoewel het onderwerp zo opwindend zou kunnen zijn: een nieuwe verovering, misschien een nieuw leven, licht aan het einde van de tunnel; maar de schrijver wekt voortdurend de indruk dat het de zoveelste verovering, het zoveelste nieuwe leven en het zoveelste licht is. Hij heeft het allemaal wel gezien.
Dat resulteert in stuurloos, gemakzuchtig proza, met af en toe een verrassende passage waarin Ten Bosch toont dat hij wel degelijk gloedvol kan schrijven. In deze scène bevindt de hoofdpersoon zich op een feestje in New York: ‘In de kamers gonsde het van tevredenheid. Men verbeeldde het succes van deze tijd: alles haalbaar, alles maakbaar, iedereen had recht op geluk. En hier had dat met geld te maken, met veel geld. Tegen een vette beloning olieden ze de geldmachines van de moderne roofridder. Zie eens hoe we geslaagd we zijn! Morgen valt het vlees van hun botten en neemt een ander hun plek geruisloos in, heden niet. Een bonte verzameling intellect, stralend van talent, maar waarop gericht?’
Huidhonger is een boek van een schrijver zonder inspiratie. De jury wenst hem voor zijn volgende boek een onderwerp en een redacteur toe die hem opnieuw weten te inspireren.


Jessica Durlacher : Emoticon (De Bezige Bij)
Over dit boek is veel te doen geweest, ook voor de jury van de Gouden Doerian zich erover boog. Jessica Durlacher is een publiekslieveling, maar met dit boek werd zij door de literaire kritiek vrijwel met de grond gelijk gemaakt. Haar eerdere romans waren bestsellers, dit boek heeft het hard te verduren gekregen. Er is alle reden om te zeggen dat Durlacher met dit boek als schrijver een stap terug heeft gedaan.
In dit verband wil de jury wijzen op het vergelijkbare lot van Yasmine Allas, een schrijfster die met haar roman De blauwe kamer de shortlist voor de Gouden Doerian niet heeft gehaald, maar wel op de longlist voorkwam.
Allas debuteerde in 1998 met het goed ontvangen Idil, een meisje, dat diverse malen herdrukt werd. In 2000 verscheen haar roman De generaal met de zes vingers, waarbij de reacties tamelijk lauw waren. Afgelopen jaar verscheen haar vuistdikke roman De blauwe kamer, waarmee duidelijk werd dat Allas als schrijver de afgelopen jaren niet gegroeid is, behalve in het produceren van steeds meer woorden.
Jessica Durlacher en Yasmine Allas worden uitgegeven door dezelfde uitgeverij. Het zijn beide schrijfsters met een bijzonder verleden en een bijzonder verhaal, die een goede begeleiding nodig hebben. Beide schrijfsters hebben ook een potentieel groot publiek voor hun werk. De jury vraagt zich daarom af waarom hun uitgeverij niet zuiniger omspringt met haar schrijfsters.
(De meer technische aspecten van Emoticon worden behandeld in het grondige essay van literatuurwetenschapper Fabian R.W. Stolk, op durlacher)


Tessa De Loo: De zoon uit Spanje (De Arbeiderspers)
Tessa de Loo schreef met De zoon uit Spanje een roman waarin zes personages (één stem per hoofdstuk) het verhaal vertellen. William Faulkner (As I lay dying) en Hugo Claus (zijn romandebuut De Metsiers is schatplichtig aan Faulkner) gingen haar voor.
Natuurlijk geeft het geen pas Tessa De Loo met Faulkner te vergelijken. Maar zij mag ook de veters van Claus – die de laarzen van Faulkner aan het poetsen is – niet eens strikken. Ze heeft voor een ambitieuze constructie gekozen die ze niet machtig is. De stemmen in De zoon uit Spanje willen maar niet gaan klinken. Elk karakter spreekt met de stem van Tessa de Loo – en behalve dat dat de hele contructie overbodig maakt is het een vlakke stem, vol clichés, die op geen enkel moment verrassend of origineel is.
Misschien daarom laat de schrijfster de gebeurtenissen in zo’n onwaarschijnlijk tempo op elkaar volgen. Zo is Bardo, ‘de verloren zoon’, na dertig jaar eindelijk thuisgekomen om de verjaardag van zijn stervende vader te vieren. De vader, die zijn zoon op zijn negentiende het huis uit stuurde, heeft dertig jaar geen enkele ontwikkeling doorgemaakt, maar als de zoon weer thuiskomt is het binnen een paar uur weer koek en ei tussen de twee. Zulke onwaarschijnlijke plotwendingen zijn alleen geloofwaardig voor lezers die gestaald zijn door vele jaren soaps kijken.
Maar het is De Loo er kennelijk ook niet om te doen geweest een geloofwaardig boek te schrijven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het plichtmatige zwart-wit contrast tussen de personages. Pa is een brombeer die zich laat ontdooien door de verloren zoon. Er is een homoseksuele zoon die ook nog kunstenaar is. Als katalysator wordt pa’s kleindochter uit een slecht yuppenhuwelijk gebruikt, om nog een beetje leven in de brouwerij te brengen.
Even plichtmatig is De Loo’s stijl in dit boek. Als voorbeeld twee ‘erotische’ passages – niet om de schrijfster belachelijk te maken, maar omdat schrijven over seks een van de meesterproeven, maar ook een van de grote valkuilen is voor een schrijver. Een beschrijving van lichamelijke liefde kan maar al te makkelijk omslaan in een technische verhandeling over de uitwisseling van lichaamssappen, of in een lachwekkend ballet voor twee vleeshompen.
Tessa de Loo doet het als volgt: ‘Wanneer de achtbaan zijn hoogste punt bereikt en uitzicht biedt over de wereld en het firmament, versmelten pijn en genot met elkaar, waarna het in een duizelingwekkende tuimeling kreunend omlaaggaat.’ En: ‘Terwijl we elkaar beminnen lijkt het of we loskomen van de zwaartekracht, van heden en verleden, en opstijgen in een haast onhoudbare begeerte.’
Had de schrijfster soms net een bezoek aan De Efteling gebracht?
De zoon uit Spanje is een plichtmatig werk van een schrijfster die haar sporen wel verdiend heeft. Ook zij heeft talent. Ook zij heeft een groot publiek. Wij herhalen de klacht die wij eerder bij Jessica Durlacher en Yasmine Allas uiten: waarom zijn uitgeverijen niet zuiniger op hun schrijvers?


Ilja Leonard Pfeijffer: Het grote baggerboek (De Arbeiderspers)
Aan dit boek wil de jury niet veel woorden besteden, want Ilja Leonard Pfeijffer is een veel beter schrijver dan dit boek doet vermoeden. Helaas heeft hij zich er in Het grote baggerboek gemakkelijk vanaf gemaakt.
Het grote baggerboek is een truc, een verzameling moeiteloos en achteloos ingevulde sjablonen. Eerst een kleurrijk hoofdstuk vuilbekken van een baggeraar die verdacht wordt van een misdaad, waarna een keurig Nederlands sprekende psychiater aan het woord komt voor een hoofdstukje psychologie van de koude grond. Niet alleen is het kunstmatige contrast tussen de twee zo overduidelijk dat het al snel geen enkele verrassing meer biedt, ook het taalgebruik – waarin Pfeijffer anders zo uitblinkt – is van een doffe eenvormigheid. Er zijn misschien mensen die met open mond blijven toekijken als twee marktkoopmannen elkaar de huid volschelden, maar de jury begon al bij de tweede pagina ‘ranzende hoeren met gele kamelenpuskutten en met een harige aars vol met ruftende reuzel, krijg nou de tiethoest en schurft aan je schompes met zweren’, te geeuwen.
Virtuoos schelden is een kunst op zich, en een kunst die deze jury bewondert, maar deze scheldwoordenvloed is totaal vrijblijvend, en daardoor volkomen onschadelijk.
Verder is de jury niet onder de indruk van de morele boodschap van het boek, niet alleen omdat men die al mijlen van tevoren ziet aankomen, maar ook vanwege de gemakzuchtige wending: niet de vuilbekkende baggeraar blijkt de schurk, maar juist de keurige psychiater. Waar zagen wij deze verrassende ontknoping eerder? Lassie? Een oude aflevering van Columbo?
Gelukkig heeft veelschrijver Pfeijffer zich inmiddels gerevancheerd met zijn nieuwe boek, de dichtbundel In de naam van de hond.

Posted by jaeggi at 10:59 am

Shortlist Gouden Doerian 2005

De jury van de Gouden Doerian 2005 nomineert de volgende boeken als de slechtste boeken van het afgelopen jaar:

Clark Accord : Tussen Apoera en Oreala (Vassallucci)
Ad ten Bosch : Huidhonger (De Arbeiderspers)
Jessica Durlacher : Emoticon (De Bezige Bij)
Tessa de Loo : De zoon uit Spanje (De Arbeiderspers)
Monika van Paemel : Celestien (Meulenhoff)
Ilja Leonard Pfeijffer : Het grote baggerboek (De Arbeiderspers)

Hiermee legt de jury haar taak neer. De Gouden Doerian zal dit jaar niet worden uitgereikt. Een evaluatie en juryrapport vindt u elders op dit weblog.

Posted by jaeggi at 10:48 am

02 maart 2005

citaat van de dag

Halle Berry, de Amerikaanse actrice die twee jaar geleden een Oscar kreeg voor haar rol in Monster’s Ball, won dit jaar de tegenovergestelde prijs: de beroemde Golden Raspberry (Gouden Framboos) voor de slechtste actrice (voor haar rol in Catwoman).
Opmerkelijk was dat Halle Berry haar prijs ook werkelijk kwam ophalen. De meeste acteurs en regisseurs weigeren de prijs voor een slechte prestatie in ontvangst te nemen, maar Halle Berry zorgde voor ophef – en bewondering – door zelf haar prijs te komen ophalen (de enige die dat ooit eerder deed was Paul Verhoeven). Bij het in ontvangst nemen van haar prijs zei Berry: ‘Toen ik klein was, zei mijn moeder dat je, als je geen goede verliezer kunt zijn, je ook nooit een goede winnaar kunt zijn.’

Posted by jaeggi at 10:20 am

01 maart 2005

Jurylid Gouden Doerian treedt af

Jaap van Straalen, boekhandelaar te Amsterdam en jurylid van de Gouden Doerian, treedt uit de jury, naar aanleiding van het artikel van Joost Zwagerman in NRC-Handelsblad van afgelopen vrijdag.
Van Straalen: 'De Gouden Doerian heeft tot felle reacties heeft geleid, niet alleen op de prijs zelf, maar ook op de afzonderlijke juryleden. Aanvankelijk is het als ludiek idee met serieuze ondertoon ontstaan. Inmiddels is de lol eraf. Er wordt nu immers de indruk gewekt dat plaatsing op de longlist de reputatie van de schrijvers duurzaam zal schaden, en dat is nooit mijn intentie geweest, noch die van de jury.
Ik ben het met de critici eens dat ik als boekhandelaar voor de auteurs moet kiezen, en niet tegen hen. De verkeerde indruk die nu is ontstaan wil ik wegnemen. Dat een boekhandelaar geen oordeel zou mogen hebben over wat hij verkoopt bestrijd ik echter.
Ik heb met de Gouden Doerian een belangrijk signaal willen geven. Er is niet alleen overproductie in de literatuur, er is bovendien een kwaliteitsprobleem. Het lijkt mij dat het metier van literair uitgever in zwaar weer is gekomen, en dat is al meerdere jaren aan de gang. Dat is een steeds groter probleem voor schrijvers en boekhandel. In die zin hadden wat mij betreft ook andere titels de longlist kunnen sieren. Achter dat signaal blijf ik dan ook onverkort staan. Maar ik heb mij na alle kritiek gerealiseerd dat ik als boekhandelaar die discussie moet en kan voeren zonder zitting te hebben in de jury van de Gouden Doerian. Ik zal mij nu weer vol overgave en zonder aarzeling storten op de verkoop van boeken in Island Bookstore.'
Jaap van Straalen is, na Jeroen Vullings, het tweede jurylid dat aftreedt.

De shortlist voor de Gouden Doerian wordt bekendgemaakt op vrijdag 4 maart.

Posted by jaeggi at 05:27 pm

Adriaan Jaeggi bij Desmet live

Adriaan Jaeggi, jurylid van de Gouden Doerian, praat morgen, woensdag 2 maart, met Dieuwertje Blok over goede boeken, slechte boeken en de Gouden Doerian. In het radioprogramma Desmet Live, 747 AM, vanaf ongeveer 14.00.


Posted by jaeggi at 03:40 pm

meer schrijvers op meerdere Ballen

Een aanvulling op eerdere berichtgeving: nog twee schrijvers zullen op beide Boekenballen te bewonderen zijn, t.w. dhr. F. Starik (dichter, bekend van o.a. Rode Vlam en De verdwijnkunstenaar) en dhr. A. Jaeggi (schrijver en columnist, bekend van o.a. Held van beroep en Luxeproblemen).

Posted by jaeggi at 02:37 pm

CPNB laat kinderen van schrijvers lopen

De stichting CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) blijkt wel vaker onzorgvuldig met haar schrijvers om te gaan.
Tijdens de laatste kinderboekenweek (6 t/m 16 oktober 2004) werd in de Stadsschouwburg het Kinderboekenbal gehouden. Van de ongeveer 200 jeugboekenschrijvers in Nederland werden er 30 uitgenodigd. Die mochten elk maximaal twee kinderen meenemen en werden verzocht zich te melden bij Hotel L'Europe, waar limousines klaarstonden om hen naar de Stadsschouwburg te brengen. Dat wil zeggen: de kinderen van de schrijvers kregen bevel naar de Stadsschouwburg te lopen, terwijl in de limousines de kinderen van sponsors ABN en de Nederlandse Spoorwegen mochten plaatsnemen.

Posted by jaeggi at 10:39 am

Henk Kraima: ‘Schrijvers zijn egoïstisch’

Directeur Henk Kraima van der CPNB heeft toegezegd dat schrijvers die optreden op het Bal der Geweigerden, alsnog hun kaarten voor het gewone Boekenbal kunnen krijgen. Ze mogen alleen niet naar het voorprogramma van het Bal: ‘We willen geen lege stoelen in de zaal,’ aldus Kraima gisteren in het Parool en NRC Handelsblad.’ Volgens Kraima zijn de schrijvers die beide gelegenheden willen bezoeken ‘wel een beetje egoïstisch. Ze blokkeren in feite de toegang van anderen.'
Er zijn in totaal zes schrijvers/schrijfsters die op beide Ballen te bewonderen zullen zijn: Vrouwkje Tuinman, Tommy Wieringa, Erik Jan Harmens, Menno Wigman, Mustafa Stitou en Rosita Steenbeek.

Posted by jaeggi at 10:37 am