| MIJN BEGINSELEN
Door Adriaan Jaeggi
Als iemand naar mij
toekomt en vraagt naar mijn beginselen, doe ik eerst een paar passen
achteruit en voel of mijn pistool wel los in de holster zit.
Beginselen, zo werd
ons geleerd, daar loop je niet mee te koop. Een wildvreemde die naar jouw
beginselen vraagt heeft er zo goed als zeker zelf geen, en is geheid op de
jouwe uit. Zo eentje jaag je maar beter zo snel mogelijk van je erf af.
Mijn allereerste
beginselen kreeg ik van mijn vader, die ze weer van de zijne had gekregen,
enzovoort. Het waren hele oude beginselen. Ze glommen nog mooi, maar bij
daglicht was toch ook goed te zien dat ze op sommige plekken flink
doorgesleten waren. Mijn vader had me geleerd dat je beginselen je
kostbaarste bezit zijn, en dus bewaarde ik ze onder een losliggende plank
in mijn kamer, in een trommel waar vroeger ontbijtkoek in gezeten had.
Toen ik ging studeren
nam ik ze natuurlijk mee. Tijdens een groot feest op mijn
studentenvereniging sneuvelde mijn eerste beginsel. Wat er precies
gebeurde weet ik niet meer, maar ik werd de volgende ochtend wakker met
een stinkend plasje naast mijn bed, waarin nog vaag de contouren van een
beginsel te herkennen waren.
Mijn tweede beginsel
ging eraan toen ik tijdens college een geweldig mooi en sexy meisje
tegenkwam, terwijl ik thuis in Brabant al een lief meisje had. Toen de
dampen eenmaal opgetrokken waren, was van mijn tweede beginsel niet meer
over dan een hoopje gescheurde keleren en wat scherven van een oud
wandtegeltje waarop nog net het woord ‘eeuwige trouw’ te ontcijferen
viel.
Ik zal u niet
vermoeien met de ondergang van al mijn beginselen. Eén voor een smolten
ze weg in de meedogenloze schijnwerpers van de werkelijkheid.
Op een dag schrok ik
wakker en realiseerde mij dat ik al bijna een jaar lang zonder
beginselprogramma had geleefd. Een jáár!
U begrijpt dat ik die
dag de straat niet op durfde. In plaats daarvan sloot ik mij op in mijn
kamer, met de gordijnen dicht, en probeerde te bedenken wat er was gebeurd
met mijn beginselprogramma, en hoe het mogelijk was dat ik het al zolang
zonder deed, zonder fatale
gevolgen. Natuurlijk dacht ik daarbij eerst aan het moment dat ik ophield
in God te geloven. Afgelopen week moest ik er nog aan denken, toen we
langs het Concertgebouw liepen, waar het publiek van de Matthäus-Passion
net naar buiten kwam, en ik een nette mevrouw tegen haar gezelschap hoorde
zeggen: ‘Ik vond Jezus een beetje tegenvallen’.
Dat heb ik nou ook
met God. Ik vond God een beetje tegenvallen, al vanaf het moment dat ik me
realiseerde dat God eigenlijk nogal op mij leek, op die jongen die zich de
hele tijd op schoolfeestjes naast de dansvloer hooghartig afzijdig stond
te houden, omdat hij dacht dat mensen dat wel interessant zouden vinden.
Ik geloofde dus al
snel niet meer in God. Ik vond hem te kinderachtig, en geloven leek me
vooral iets voor mensen die dachten: onze god is wereldkampioen. Je kunt
onmogelijk in God geloven en tegelijk erkennen dat er nog andere goden
zijn die misschien nog wel beter zijn. Stel je dat eens voor: ‘Mijn God
kan ervoor zorgen dat het bloed en sprinkhanen regent!’
‘Djiezes, cool zeg.
Dat kan mijn God niet. Maar hij kent wel een hele leuke truc met een mango
en een stel konijnen.’
De bijbel staat niet
voor niks vol wonderen. God, als hij zou bestaan, zou heus wel begrijpen
dat hij met één brandend braambosje geen partij was voor Zeus met zijn
bliksemstralen en Ra, die met een brandende strijdkar langs de hemelen
reed.
Kortom: ik beschouw
gelovigen, of het nu christenen of moslims zijn, als onvolwassen,
hulpeloze of misleide mensen, wat mijn goed recht is, want zo beschouwen
ze mij ook. Maar al geloof ik niet in God, door mijn opvoeding heb ik een
ander geloof in de plaats gekregen: even streng, even steil en even
doordrongen van doem als de gereformeerde gemeente op Urk. Het geloof waar
ik mee opgevoed ben is net zo goed gebaseerd op blind vertrouwen, op de
cryptische woorden van profeten en orakels en op een totaal ongefunderd
maar daarom niet minder oprecht, kinderlijk vertrouwen in het goede in de
mens.
Ik geloof niet in
God, maar wel in schuld en boete. Christenen geloven dat God en Jezus hen
uiteindelijk zullen verlossen - ik geloof dat Greenpeace de wereld
probeert te redden. Zij geloven dat als zij bidden hun zonden vergeven
zullen worden - ik geloof dat als ik oude kranten en lege flessen netjes
naar de daarvoor bestemde verzamelbakken breng, ik bijdraag aan een betere
wereld (ook al realiseer ik me elke keer weer, onderweg naar de chemokar,
dat er waarschijnlijk heel wat Chinezen en Afrikanen zijn die nog nooit
een tv-spotje van de SIRE hebben gezien, en die dus helemaal niet weten
dat een goed milieu begint bij jezelf.)
Christenen vrezen de
zeven bazuinen en de hagel en de zee die tot bloed wordt en het vallen van
de sterren en de komst van de sprinkhanen - ik vrees de alarmsirenes van
kerncentrales en de fall-out en
de zee die tot vuilnisvat wordt en het vallen van de laatste bommen en de
komst van nieuwe ziektes.
Je zou zeggen: iemand
met zo’n achtergrond is geknipt voor de politiek. Voor veel ex-gelovigen
is de politiek een vluchthaven.
Helaas geloof ik ook
niet in de politiek.
Laat ik er meteen bij
zeggen: dat heeft niets te maken met het uiterlijk van politici. Goed, ze
zien er niet uit, maar dat is geen reden om meteen de hele politiek maar
aan de kant te zetten. Al moet ik toegeven, ik droom weleens weg bij de
interessante vraag af wat de positie van Nederland in de wereld zou zijn
als al onze politici het uiterlijk van Katja Schuurman, Xander de Buisonjé
en, vooruit, Wouter Bos zouden hebben.
Maar zelfs het
uiterlijk van Wouter Bos kan mij niet overreden.
Dat heeft vooral te
maken met het feit dat de politiek, net als het geloof, draait om
abstracte, glibberige grootheden die mij geen enkel houvast bieden. Neem
bijvoorbeeld deze zin, uit een volstrekt willekeurige pamflet:
De kernboodschap van de sociaal-democratie bestaat uit
het streven naar individuele ontplooiing gekoppeld aan solidariteit, in
binnen- en buitenland.
Het is niet dat ik niet begrijp wat hier staat; het is
alleen dat ik ik mij er totaal andere dingen bij voorstel dan de
schrijvers waarschijnlijk voor ogen hadden.
Zo denk ik bij ontplooiïng aan zee-anemonen.
Bij solidariteit denk ik aan bietensoep en mannen met
snorren, en kernboodschap is voor mij een dringend verzoek van de directie
van de kerncentrale om voorlopig de ramen gesloten te houden.
De belangrijkste eigenschap van een beginselverklaring
is, kortom, dat hij heldere en ondubbelzinnige dingen bevat. Dingen die
tastbaar zijn, waar je van houdt, die je kunt vastpakken.
Mocht ik ooit gedwongen worden een beginselverklaring op
te stellen, dan zal die in elk geval de volgende essentiële speerpunten
bevatten (en hier valt niet over te onderhandelen): bier van La Chouffe,
de nasi rames van toko Iboe Tjilik in Leiden, de boeken van F. Scott
Fitzgerald en Ellen ten Damme.
Adriaan Jaeggi |
||