Metro

maart 2006

Adriaan Jaeggi (42) is schrijver, trombonist en stadsdichter in Amsterdam. ‘Tromboneliefde’ is de titel van zijn nieuwe boek.

“Ik ben in Wassenaar geboren, daar hebben we anderhalf jaar gewoond in het huis van mijn grootouders. Toen zijn we verhuisd naar Apeldoorn en daarna naar de plek waar ik ben opgegroeid, Willemstad. In Noord—Brabant, bij het Hollands Diep. Als ik het over Willemstad heb, denken mensen meteen dat ik van Suriname kom, ik denk ook vanwege mijn donkere haar. Daar heb ik een geweldige jeugd gehad aan het eind waarvan mijn moeder stierf. Ik ben gaan studeren in Leiden, Engelse taal— en letterkunde. Daar heb ik mijn eerste boek geschreven, ‘De tol van de roem’. Over muziek. Ik was niet echt van plan om schrijver te worden. Ik had wel plezier in het schrijven, maar nóg meer in het maken van muziek. Ik heb heel veel gespeeld tijdens mijn studie: ik heb mijn studie er van betaald. Dat eerste boek ging over een trompettist — ik speel zelf trombone — met een van God gegeven talent. Hij is op zoek naar het wezen van de muziek en vindt dat in een band waarin alles klopt, zo’n band die je maar één of hooguit twee keer in je muzikantenleven tegenkomt. Zo’n band waarin er een soort telepathische communicatie is over de muziek, er hoeft niet gepraat te worden. Je maakt wel ruzie tijdens repetities en je slaat elkaar de hersens in over de gage, maar als je aan het spelen bent, gebeurt er iets magisch. Die man wordt verliefd. Helaas mag ik wel zeggen, want de vrouw op wie hij verliefd wordt en die ook verliefd wordt op hem, is de vriendin van de saxofonist.”

Dan is het afgelopen met de magie?

“Die is er nog wel, want hij vertelt het natuurlijk niet. Overspel: nooit vertellen! Maar hij moet kiezen: als hij haar wil, is hij de band kwijt. Want — dat is mijn tenminste ervaring — als je jarenlang een verhouding met iemand hebt, wil je die helemaal hebben, totaal bezitten. Je kunt wel met elkaar naar bed gaan, maar je hebt haar nooit helemaal.”

Je bent sinds kort stadsdichter — dat wil zeggen: van het stadsdeel Centrum. Dus stadsdééldichter?

“Dat weet niemand precies, hoe dat zit. Ik noem het zelf stadsdichter, alleen al omdat stadsdeeldichter onuitspreekbaar is. Stadsdeel Westerpark heeft een stadsdeeldichter, speciaal voor dat stadsdeel, maar toen ik werd gevraagd door het stadsdeelbestuur Centrum heb ik gezegd: ‘Luister, ik ga niet alleen over Centrum dichten. Amsterdam is veel groter dan de grachtengordel en ik wil de vrijheid hebben om over de hele stad te dichten. Van Noord tot West, van Oud—Zuid tot De Baarsjes. Daarin hebben ze toegestemd. Dat hele geharrewar over stadsdichter of stadsdeeldichter kan me eigenlijk niet zo veel schelen. Het is meer een bestuurlijke kwestie. Amsterdam heeft een opzet van bestuur waardoor het moeilijk is om precies te bepalen wie wat zal moeten beslissen. Er bestaan over het fenomeen stadsdichter geen wettelijke voorschriften, het is maar wat je er van maakt. Het gaat om de gedichten.”

Wat doet een stadsdichter precies?

“Die schrijft vooraleerst gedichten bij gelegenheden die hij zelf uitkiest. Er komen ook aanvragen uit de stad. Ik heb in Zuid de winter afgesloten, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats heb ik mijn derde stadsgedicht voorgelezen bij de Eenzame Uitvaart. Dat is de begrafenis van iemand zonder kind of kraai. Die worden georganiseerd door het bureau uitvaarten van de gemeente Amsterdam. F. Starik, zelf dichter, heeft de Poule des Doods opgericht, dichters die voorlezen bij een Eenzame Uitvaart. Ik vind dat buitengewoon beschaafd, niet alleen van Starik maar ook van de gemeente Amsterdam. Ook als je eenzaam sterft, wordt ervoor gezorgd dat je een nette begrafenis krijgt. Met een bloemetje, met orgelspel of een cd’tje en een gedicht. Een week van tevoren krijgt de dichter een biografietje van de overledene. Een ontzettend mooi initiatief. Dat heb ik met plezier, nou, dat is misschien niet helemaal het woord, maar… ik vond het een eer om te doen. Het was ook een van de mooiste dagen van het jaar; het had net gesneeuwd, de begraafplaats lag er maagdelijk bij. Het was betoverend. Ik schoot — moet ik eerlijk zeggen — vol aan de kist van een volkomen onbekende. Nou, ik ben sowieso nogal sentimenteel aangelegd. Maar het is toch wel raar om niet eens je gedicht te kunnen uitlezen als daar een volkomen onbekende mevrouw ligt. Mevrouw Waterman.”

Was dat omdat je ontroerd was door je eigen woorden?

“Nee, dat niet. Om tranen in je ogen te krijgen van je eigen woorden, vind ik buitengewoon onprofessioneel. Het was de situatie. Die dood, die prachtige stille begraafplaats. Toen ik terugliep naar de aula, kwam ik een oudere mevrouw tegen die een beetje in de war was. Ze begon een heel verhaal tegen me af te steken over familie van haar die daar lag. En dan die dikke lucht in zo’n aula, die moeilijk te ademen lucht. En bij elke begrafenis die ik meemaak moet ik denken aan mijn moeder.”

Je had het over een gelukkige jeugd. Niet bepaald des schrijvers goudmijn?

“Een gelukkige jeugd tot mijn veertiende.”

Toen overleed jouw moeder?

“Ja.”

Erg jong dus?

“Ja, ze was nog geen veertig. Borstkanker, de grote vrouwenmaaier. Ik ben wel een opgewekt iemand, hoor. Ik heb maar één keer in mijn leven iets gehad wat op een depressie leek.”

Je bent pas 42, het kan nog komen.

“Dat is waar, haha. Ik heb een redelijk optimistische kijk, maar wat ik wel heb overgehouden aan het overlijden van mijn moeder, is de overtuiging dat je het allemaal alleen moet doen. Je kunt wel een tijdje familie en kinderen en vrienden bij je hebben, maar uiteindelijk ben je alleen en blijf je alleen.”

En staat alleen de stadsdichter aan je graf.

“Ja, haha.”

FRANK VAN DIJL

‘Tromboneliefde’ verscheen bij uitgeverij Nieuw—Amsterdam, € 14,50.