Elegance

maart 2007

1. Wat betekent vriendschap voor jou? En vooral met het oog op Edele dieren: Wat boeit jou met name aan het mechanisme van een vriendengroep en is die fascinatie ook de reden dat je erover wilt schrijven?

Ik kijk naar de meeste vriendschappen van buitenaf. Zoals in dat spelletje dat je op het terras zit en je gaat raden naar de beroepen van de mensen, ken je dat? Die is automonteur, die is topspion en die dikke met dat streepjesoverhemd moet wel voor Lost Boys werken. Ik vraag me altijd af, als ik een groepje vrienden of vriendinnen op het terras zie zitten en grappen zie maken: hoe zijn die bij elkaar gekomen? En zouden ze vrienden blijven als het er echt op aankwam?

Daarom heb ik gedacht: laat ik een boek schrijven waarin die vriendschap echt op de proef wordt gesteld. Door de vreemde omgeving, door de hitte, door vreemde gebeurtenissen en natuurlijk door jaloezie en overspel. En dan kijken wat er gebeurt.

2. Je maakt gewag van onze luie gemakkelijke Westerse geest. Wat bedoel je daar precies mee? Een vijandige omgeving zou funest zijn voor een dergelijke luiheid. Betekent dat dat de Westerse geest niet plooibaar zou zijn of gaat het verder volgens jou?

Heb ik gewag gemaakt van onze ‘luie gemakkelijke Westerse geest’? O jezus. Echt waar? Wanneer dan? Nee, ik kijk wel uit. Ik ben net zo lui en gemakzuchtig en ‘Westers’ als elk ander. Ik weet maar de helft en ik doe toch alsof ik alles weet.

In Edele dieren heb ik een aantal mensen vanuit een vertrouwde omgeving overgebracht naar een potentieel vijandige omgeving: de onbekende plaats waar je terecht komt als je op vakantie gaat. Je kent dat wel, je boekt op het laatste moment, puur op het plaatje op internet of de beschrijving in de folder, en dan kom je ergens waar niets is als thuis. De drie stellen in mijn boek komen dan ook nog in een soort hogedrukketel met allemaal overkokende emoties. Aanvankelijk doen ze alsof er niks aan de hand is en blijven vrolijk samen ingewikkelde cocktails drinken.

De vraag voor de lezer, en dat moeten ze zelf uitvinden, dat is de lol: beelden deze mensen zich maar wat in of is er een wekelijke dreiging? Of zijn zij misschien zelf de bedreiging?

3. Het grote vraagstuk van deze tijd is de opwarming van de aarde, de vernietiging van onze leefomgeving en het veranderende klimaat: green issues zal ik maar zeggen. Behoor jij tot de sceptici ten aanzien hiervan of windt jij je enorm op over hoe de mensheid met het milieu omgaat? Kortom, wat is jou visie op het milieuvraagstuk en hoe heb je die visie verwerkt in jouw roman?

Ik ben erg bezorgd. Zo bezorgd dat ik op dit moment bezig ben met een stadsgedicht voor Amsterdam, waarin de hoofdpersoon de stad bewondert als die zes meter onder water staat. Een rondvaart per onderzeeër. Dat staat ons te wachten als de ijskap van Groenland smelt.

Aan de andere kant komt hier ook weer mijn ‘luie Westerse geest’ om de hoek kijken, want ik douche elke dag. Warm. Als ik zou willen bijdragen aan de oplossing van het broeikasprobleem zou ik kunnen beginnen met dat terug te brengen naar drie keer per week. Of ik zou een asielzoeker/ster kunnen uitnodigen om dagelijks samen te komen douchen. Alle kleine beetjes helpen.

Aan de andere kant: ik rijd geen auto en eet minder vlees. Ik vlieg zelden of nooit en ik mijd zoveel mogelijk de supermarkt. Daarmee is de druk die ik op het milieu uitoefen al aanzienlijk minder dan van de gemiddelde Nederlander. Niet dat dat me een heilige maakt, maar ik mag in elk geval zonder schuldgevoel af en toe roepen: EN NOU DIE AUTO UIT ALLEMAAL!

In Edele dieren komt de hele milieuproblematiek nauwelijks openlijk voor, behalve dat het het hele boek door heel heet is. Ongelooflijk heet. Werkelijk uitzonderlijk heet.

4. Welke boekhandels behoren tot jouw favorieten? En waarom?

Voorspelbaar, maar daarom niet minder gemeend: Scheltema in Amsterdam. De ochtend dat ik mijn manuscript had ingeleverd bij de uitgever ben ik rechtstreeks doorgereden naar Scheltema en een uur later kwam ik de roltrap af met een halve meter prachtboeken onder mijn arm, allemaal voor bijna niks. De ramsjafdeling bij Scheltema is waar ik mezelf beloon als ik iets goed heb gedaan. Een ander koopt juwelen. Of een nieuwe Porsche.

En Athenaeum op het Spui hoef ik eigenlijk ook niet eens te noemen. De drie keer dat ik een moeilijk, incourant boek nodig had vond ik het twee keer bij Athenaeum, en het derde bleek niet te bestaan. Ook niet te vergeten: het Martyrium in Amsterdam, Paagman in Den Haag, waar de meest eigenzinnige en gastvrije boekhandelaars van Nederland huizen, en boekhandel Espresso in Willemstad, aan de Landpoortstraat pal tegenover mijn ouderlijk huis.

5. Naar welk nieuw boek kijk je uit? En wat mogen de mensen het komende jaar zeker niet missen?

De eerste roman van Erik Jan Harmens, Kleine doorschijnende man. Dat zal nog eens een klap geven, volgend jaar. Verder vind ik dat mensen zelf moeten opletten dat ze niks missen. Laten ze zich door niemand wat laten aanpraten. Zeker niet door uitgevers.

6. Welke boek is volgens jou de ultieme klassieker in de literatuur?

Die bestaat niet, goddank. Anders kunnen wij als schrijvers wel ophouden.

Een paar jaar geleden werd Don Quichotte verkozen als het beste boek aller tijden, daar heb ik weinig tegenin te brengen. Voor Edele dieren heb ik veel gehad aan de boeken van F. Scott Fitzgerald. Mijn uitgever had de slagzin verzonnen: ‘Edele dieren is de roman die Scott Fitzgerald geschreven zou hebben als hij I know what you did last summer had gezien.’

Ik heb Tender is the night inmiddels een keer of vijftig gelezen. Tijdens het schrijven heb ik er vaak in gebladerd en stukjes gelezen als het even niet vlotte. Het werkte altijd. En het motto voor Edele dieren komt uit The Great Gatsby: ‘I had that familiar conviction that life was beginning over again with the summer.’

7. Je hebt heel veel verschillen dingen gedaan (jazzmuzikant, columnist, stadsdichter, vorkheftruckchauffeur etc.) Waarop kijk je in je memoires het meest liefdevol terug denk je? En waarom?

Vorkheftruckchauffeur natuurlijk. Als je als vakantiekracht, want dat was ik, met zo’n ding door de fabriek mag rijden, dat is heel wat hoor. Dat laten ze niet iedereen doen. Sinds die tijd heb ik weinig last meer van frustraties of gebrek aan zelfvertrouwen. Ik was ooit een bedreven en gerespecteerd vorkheftruckchauffeur: knappe jongen die mij nog aan het janken brengt.