Brief
(naar Elsschot)
Opgedragen aan mijn oude muziekleraar
Dikke hufter, met je Saab
Hoe jij, wellustige priaap
Ons elke les zat aan te staren
Alsof we randdebielen waren
'k Weet nog alles, vette luis,
Al heb je nu een ander huis
gekocht van onze kindertranen
En weet je niet mer onze namen.
Hoe Japie, met zijn klarinet
Steeds voor pispaal werd gezet
Daar 'ie, links -10 en rechts -7
De kleine nootjes niet kon lezen.
En kleine Tjalling, trombonist,
Werd week na week zo afgepist
Dat hij haast jankend stond te blazen
En jij maar tieren, en jij maar razen
En toen hij niet meer durfde komen
Heb je z'n toeter afgenomen
Al had z'n moeder, als bepaald
Meer dan de helft al afbetaald.
Hoe je Dagmar, blond en sprietig
Altijd stilletjes en verdrietig
Steeds weer stiekem hebt geknepen
Bij het aanwijzen der grepen
Hoe je bij haar hoge C
Ineens haar jurk naar boven deed
Zodat ze, voor de hele school
Te kijk stond met haar altviool.
En hoe je voor Willem met zijn fluit
Muziek voor altijd hebt verbruid
Je sloeg, al heeft men 't niet geloofd
De maat mee op zijn achterhoofd
Ik weet het nog, die lange uren
Dat ik je smalen moest verduren
Je dikke vingers in mijn nek
En de bierstank uit je bek
Ik weet het nog, zoals je ziet
Maar ik begrijp nog altijd niet
Hoe al die kleine onderdeuren
Dat elke week ieten gebeuren
Hadden ze maar met zijn allen
Al hun snaren laten knallen!
Om die om je nek te strikken
En je lyrisch laten stikken.
Maar al is het niet gebeurd
Uitgesteld is niet verbeurd
En eens komt de mooie dag
Dat ik nog eens naar muiziekles mag
Dat jij en al je partituren
Dat oude leed zullen bezuren
Als jij, zo zelfvoldaan als toen
Het nog één keer voor zal doen
En ik je klem zet, als een dier
Tussen de klep en het klavier
Om met een daverend slotakkoord
Je heen te zenden waar je hoort
En waar je tot de jongste dag
Dat heidens rotstuk spelen mag
Dat wij altijd moesten studeren
En volgens jou nooit zouden leren.
Voor eeuwig klinkt dan door de hel
Die kutcanon van Pachelbel.
